Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
regte, dat er ook sclieeve hoeken kunnen voorkomen, en dat
deze te onderscheiden zijn in scherpe- en stompe hoeken.
Is de toenadering der beenen meerder dan van een regten
hoek, dan is er een scherpe hoek. (a 2)
Is de ruimte tusschen de beenen minder dan van een regten
hoek, dan is er een stompe hoek. (a 3)
De regte hoek strekt dus tot maat, en geen wonder, naar-
dien llij altijd dezelfde grootte heeft.
Uit het besprokene volgt:
Een regte hoek is het vierde deel van een cirkel, of de
ruimte tusschen twee lijnen, die regtstandig op elkander staan.
Een scherpe hoek is kleiner dan een regte.
Een stompe hoek is grooter dan een regte.
Nu zet men eenige figuren op bord en laat daaruit de regte,
scherpe cn stompe hoeken opsporen; voorts uit het schoollo-
kaal, van de lei, de plaatsing der vingers, enz., en spoedig
zullen de kinderen de soorten van hoeken onderscheiden.
b, riGUREK.
Nu komt men tot de beslotene vlakken, of platte figuren,
en eerst daarvan natuurlijk de
Driehoeken.
Een plat vlak besloten binnen 3 regte lijnen is een driehoek.
Door gesprek over gelijk- en ongelijkheid der zijden en hoe-
ken, komt men tot de onderscheiding
naar de zijden:
In gelijkzijdigen driehoek, die gelijke zijden heeft, (b 1)
" gelijkbeenigen » , // 2 * n // (b 2)
cn n ongelijkzijdigen u , wiens zijden niet even lang zijn. (b 3)
Verder komt men al sprekende en schrijvende aan de on-
derscheiding
naar de hoeken.
In regthoekigen driehoek, die 1 regten hoek heeft, (b 4)
» scherphoekigen // , '/ 3 scherpe hoeken heeft, (b 5)
II stomphookigen « , » 1 stompen hoek heeft, (b 6)