Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
147
b, meerdere lijnen.
a. Lijnen in vergelijking van de lengte.
Twee lijnen zijn ten aanzien harer uitgebreidheid gelijk of
ongelijk. Zijn ze ongelijk, dan is de eerste de grootste of de
kleinste. Is zij de grootste, dan is noodzakelijk de andere de
kleinste, — en omgekeerd. —
Zijn ze gelijk, dan kan men de eene in de plaats der an-
dere stellen. — Alzoo: (al)
2 Lijnen.
1. Twee lijnen kunnen even groot zijn, of:
UK u gelijk zijn.
2. Van 2 lijnen kan de eene grooter en de andere kleiner
zijn, of: 2 lijnen kunnen ongelijk zijn.
3 Lijnen, (a 2)
1. Drie lijnen kunnen gelijk zijn.
2. n it K ongelijk zijn.
3. Van Zn " 2 gelijk en 1 ongelijk zijn.
(De ongelijke kan natuurlijk grooter of kleiner zijn.)
4 Lijnen, (a 3)
1. Vier lijnen kannen gelijk zijn.
2. " n « ongelijk zijn.
3. Van 4 '/ » 3 gelijk en 1 ongelijk zijn.
4. 4 # " 2 ff n 2 » ff
5. Vier ft »2 aan 2 gelijk zijn.
5 Lijnen, (a 4)
ongelijk zijn.
4 gelijk en 1 ongelijk zijn.
3 // // 2 // tt
3 aan 2 gelijk zijn.
2 gelijk en 3 ongelijk zijn.
2 aan 2 gelijk en 1 ongelijk zijn.
10*
1. Vijf lijr
2. M tr
3. Van 5 ff
4. tf 5 ff
5. ff 5 tr
6. 0 5 ff
7. // 5 ff