Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
Bravo! wel in drie rigtingen kan hij gemeten worden, en
dat is zoo met alle dingen of voorwerpen, die men daarom
ligchamen noemt. Dit voorwerp heet Kubus.
Is elk ligchaam een kubus? Is iedere kubus een ligchaam?
Alle dingen, alle voorwerpen zijn dus ligchamen, want elk
heeft lengte, breedte en hoogte. Noemt nu eens eenige ligchamen ?
Zouden alle dingen zoo gemakkelijk te meten zijn, als deze
kubus? Waarom niet?
Somtijds zegt men tegen breedte dikte, bijv. van een turf,
boom , arm, stok, enz. Ook wel wijdte, als de holte bedoeld
wordt, bijv. van een put, bak, kuil, enz.
Tegen hoogte zegt men diepte, als de afmeting naar bene-
den is, bijv. van een put, kelder, gracht.
Deze kubus heeft dus, even als elk ander ligchaam,...? {lengte,
breedte en hoogte).
Op deze of dergelijke wijze leeren zij de drieërlei afmeting
kennen.
TWEEDE OEFENING.
vlakken.
Maar laten wij den kubus eens goed bekijken.
Hoe heet dat, daar in den omtrek?
K, Zijden , vlakken.
O. Gij Jan! hoeveel vlakken heeft dit blokje wel? Piet,
zegt gij het eens? enz. Telt de vlakken eens te gelijk.
K. 1. 3, 3, 4, 5, 6 vlakken.
O. Goed gedaan. Waar liggen of staan die vlakken? bijv.
dit vlak? en dit? enz. Hoeveel vlakken liggen bovenaan den
kubus ? Hoeveel onderaan ? Hoeveel in den omtrek ? Hoeveel
vlakken staan? Hoeveel liggen er? En als ik den kubus om-
wentel: hoeveel staan er dan? Waarom blijft dat evenveel?
Hoe di& zijn de vlakken wel?! (Zij zwijgen.) Neen, kinderen!
de vlakken hebben geen dikte, want zij zijn de uiteinden van
het ligchaam, zijne grenzen. (Men toont door meten , dat, als
een vlak dikte had, dan de breedte, of de lengte korter moest
zijn, zoodat men wel op liet vlak of op de zijde iets kan leggen,
maar bijv. geen speld er eigenlijk kan in steken; wel in het