Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
125
Verlengen. Verkorten. Fraai. Leelijk.
Beloonen. Bestraffen. Langzaam. Gaauw.
Hatelijk. Beminnelijk. Geheim. Openbaar.
Bemoedigen. Vrees aanjagen. Gejammer. Gejuich.
Oosten. Westen. Gehuil. Gelach.
Zuiden. Noorden. Geliefd. Veracht.
Bepaald. Onbepaald. Geloof. Ongeloof.
Uitbreiden. Beperken. Ongeluk. Geluk.
Dal. Berg. Morren. Tevreden zijn.
Beter. Siedl ter. Ongeneesbaar. (ieneesbaar.
Braver. Ondeugender. Ongeoorloofd. Geoorloofd.
Te vroeg. Te laat. Gerezen. Gedaald.
Bits. Streelend. Aanzienlijk. Gering.
Bleek. Kleurig. Ongerust. Gerust.
Droefgeestig. Blijmoedig. Ongeschikt. Geschikt.
Blijven. Heengaan. Geur. Slank.
Staan. Liggen. Nemen. Geven.
Busten. Werken. Oorzaak. Gevolg.
Blind. Ziende. Schade. Winst.
Ernst. Boert. Gevangen. Vrij.
Boos. Goed. Gevoelig. Ongevoelig.
Halen. Brengen. Wezenlijk. Gewaand.
Binnenste. Buitenste. Geweld. Zachtzinnig.
Binnenwaarts. Buitenwaarts. Gewillig. Tegenstrevend.
Dalen. Piijzen. Onzeker. Gewis.
Dapper. Laf. Gewoon. Ongewoon.
Dartel. Stil. Gierig. Mild.
Deftig. Boersch. Dof. Glanzig.
Dekken. Ontblooten. Afkeuring. Goedkeuring..
Dempen. Ledigen. Geringheid. Grootheid.
Diefachtig. Eerlijk. Kijkdom. Armoede.
Dienstvaardig. Ongedienstig. Grootte. Kleinte.
Doen. Laten. Gulheid. Karigheid.
Schrander. Dom. Guur. Zacht en stil.
Leven. Dood. Verharden. Verzachten.
Vloed. Eb. Heilzaam. Heilloos.
Echt. Onecht. Held. Lafaard.
Eendragtig. Oneen ig. Kamp. Zegen.
Eenerlei. Velerlei. Herinneren. Vergeten.
A'eelhoofdig. Eenhoofdig. Verbeteren. Bederven.
Laatste. Eerste. Hobbelig. Vlak.
Oneven. Even. Veel. Weinig.
Eng. l'iuira. Hongerig. Verzadigd.
Vijand. • Vriend. Hoogmoedig. Nederig.
Oneigenlijk. Eigenlijk. Noodzakelijk. Noodeloos.