Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page

K. De huig.
O. Ja, daar achter in den mond, boven aan de keel. Dus
ook: De huig is een gedeelte van den mond. Die huig is vieek,
rondachtig en rood. Achteraan in den mond, boven aan den
slokdarm is de keel. Wat is de keel? Waartoe dient hij? enz.
Komt, nu eens al de deelen van den mond herhaald :
K. DE MOND. 1. Be lippen, boven en onder,
2. de hoehen van den mond, regter en 1.,
3. de kaken, boven en onder, n u u
4. de tanden,
snijtanden, of tanden, bov. en ond.
maaltanden, of kiezen, u // //
oogtanden, bov. en ond. (daarvan
de onderste ook hoektanden ge-
naamd.)
5. De holte van den mond,
6. de tong,
7. de tongriem,
8. het gehetnelte,
9. de huig,
10. de heel.
O. Mooi zoo! mooi zoo! al die deelen zijn noodig om goed
te kunnen spreken, zingen, eten en drinken. Wat is dat toch
heerlijk en kunstig ingerigt, niet waar? (Zedelijke toepassing.)
Nu hebben we nog iets op te merken aan de zijden van het
hoofd. — Het eerste gedeelte van de hoofdzijden is......?
K. Be slapen.
O. En het andere?
K. Be ooren.
O. Wijst het regteroor; het linkeroor.
Die ooren zijn het zintuig van het gehoor. Noemt eens op,
wat wij al hooren. Kunnen wij het gehoor oefenen? Laten wij
die ooren dan eens goed bekijken. Waar liggen zij ? {Be ooren
liggen op de zijden van het hoofd, tusschen de slapen en het
achterhoofd.') Waarvan zijn zij deelen?
De buitenste groote omtrek zijn de oorschelpen. Hoeveel
oorschelpen hebben wij? welke? Zij zijn buigzaam en veerkrach-
tig. Wat beteekent dit? Ook in de oorschelpen, zoowel als in