Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ü5
O. Wijst die eens! Waar zijn zij?
K. De oogtandeti zijn tusschen de kiezen en tanden.
O. De onderste oogtanden noemt men ook wel hoektanden.
De tanden zijn gedekt met een verglaassel, dat voor afslijting
en invreting bewaart. Om de tanden wel te bewaren, moet
men geen heete spijzen of dranken in den mond nemen, op
geen te harde of scherpe voorwerpen bijten en den mond des
morgens en na het eten uitspoelen. Het vleesch rondom die
tanden heet men.... ?
K. Tandvleeseh.
O, Binnen de kaken en tanden is de ruimte, die men holte
van den mond noemt. Wijst en zegt dit.
K. Be holte van den mond.
O. In de holte ligt een lapje. (Hij wijst.) Hoe is de naam?
K. De tong meester!
O. Wel, wat zegt gij van de tong ? (Zonder tong kan men
niet spreken, zingen, proeven, kaauwen, doorslikken. De huid
is vol tepeltjes voor den smaak.) Is zij een lapje laken? Die
tong is van onderen met eene huid aan de benedenkaak ver-
bonden. Dat huidje heet tongriem. Als die tongriem te kort
is, kan men niet goed praten; ook niet als de tong te lang
is. Welke kleur heeft de tong? altijd? enz. Be tong is buig-
zaam en veerkrachtig. Waarvan is zij een gedeelte?
K. Be tong is een gedeelte van den mond.
K. Boven de tong is.....? (Hij wijst.)
K. Het gehemelte
O. Waar ligt het? {Het gehemelte ligt bovenaan de holte
van den mond, binnen de bovenkaak.) Het gehemelte is een ge-
deelte van den.... ?
K. Mond, meester!
O. En waarvan is de mond een deel?
K. Be mond is een deel van het aangezigt.
O. En het aangezigt?
K. Het aangezigt is een deel van het hoofd.
O. Bravo! Maar wij spraken van het gehemelte. Waartoe
is het? Hoe ziet het er uit? Wat weet gij er verder van te
zeggen? (Het gehemelte is hard, glad en vochtig.) Achteraan
dat gehemelte is de huig. Wat is daar?