Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
den en westen aan Straat Madoera, en bevat, niet
de omliggende eilanden, 525000 inwoners.
Luchtgesteldheid. Aan de zuidkust buitengemeen heet,
in de hoogere streken en aan de noordkust dragelij-
ker , vooral door de zeewinden; men houdt het hier
over het algemeen voor gezond.
Bergen. De grond is eene afwisseling van heuvels
en dalen; de eerste bevatten kalksteen, die tot bou-
wen gebruikt wordt.
Rivieren en andere wateren. De rivieren zijn door
de nabijheid der zee niet groot en brak; de voor-
naamste zijn: de rivier van Hangkallang, van Bcle-
ga, van Sampang, Saroka, Kalipoek, Lagoeng, Am-
boenten, Pasongsong^an^ Batoe tv\z.
Voortbrengselen. Jati-hout en vele palmsoorten; de
landbouw is, door de schraalheid van den grond in
het oosten en de afpersingen der Vorsten in het wes-
ten , achterlijk, en wordt met weinig ijver gedreven;
men heeft er echter indigo, suikerriet, jagong, ta-
bak , katjang en arak. Groote wilde dieren en vo-
gelen zijn er niet, tamme buffels en paarden in even-
redigheid minder dan op Java , maar runderen , schapen
en geiten meer; voorts gevogelte, veel visch, basalt,
kwarts , albast, of batoe - bentang, en de in de lucht
verhardende batoe- kombong, welke ook aan de andere
zijde van Straat Madoera gevonden wordt.
De Nederlandsche Oppermagt is reeds vroeg door de
Vorsten van het eiland Madoera erkend geworden;
ook zijn zij hunne tegenwoordige rangen aan het Ne-
derlandsch Gouvernement verschuldigd. Zoo werd de
Panumbahan van Soemanap in 1825 tot Sultan verhe-
ven, en de Regeerder van het kleine Vorstendom Pa-
makassang in 1818 met den titel van Pangeran, en
in 1829 met dien van Panumbahan vereerd.
De bevolking wordt onderscheiden in Madoerezen en
Soemanappers, de eerste in het westen, de andere in
het oosten, die in kleeding, tongval enz. van elkan-
der onderscheiden zijn. Zij bezitten, even als hunne
Vorsten , eenen krijgshaftigen geest, die aan ons Gou-
vernement dikwerf zeer te stade is gekomen , daar de
Vorsten zich bij voortduring als getrouwe en hulpvaar-
dige bondgenooten betoond hebben. In 1831 werd aan
de Sultans van Madoera en Soemanap, met veel pleg-
tigheid, het Kommandeurskruis der Orde van dén
Nc-