Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
welke niet ver van de noordkust, meer of min van
het noorderstrand verwijderd, de geheele lengte van
Java doorloopt tot aan Straat Balie. Te Samarang
'heeft deze postweg een' zijtak naar het zuiden, welke
omstreeks Ambara^'a zich in tweeën splitst, om Solo
en Djokjo te bereiken, en in het zuiden tusschen die
beide steden zich weder vereenigt. Genoemde belang-
rijke weg is in het begin dezer eeuw aangelegd; de
paarden, die overal op de wisselplaatsen gevonden wor-
den, loopen snel; de afstanden worden bij palen, eene
lengte van i uur en ao minuten, gerekend.
Lebak is de hoofdplaats van de Assistent - Residentie
van dien naam. Dagotjark van Tjiringin, Verder zijn
Pandiglang, Tjilang-Kahan, Tjarita en Tjiringin
belangrijke dorpen.
Oudheden. In een afgelegen gedeelte der Residentie
zijn de heilige graven der Badoeweis, die naauwelijks
1000 zielen tellen en in de nabuurschap eenige kleine
dorpen bewonen. Eenige boven elkander gelegene ter-
rassen zijn bedekt met grootere en kleinere steenen,
naar het schijnt zeer ruw behouwen. Deze steenen
wijzen de graven aan der Voorvaderen van de Badoe-
weis. Men verhaalt, dat zij, bij de vermeestering van het
Rijk van Padjajaran, zich in het ontoegankelijke ge-
bergte hebben verscholen en daar langen tijd in het bezit
hunner onafhankelijkheid zijn gebleven. Hunne Gods-
dienst is ongetwijfeld \x\x.^Hindostan afkomstig, en waar-
schijnlijk verwant aan de leer van Boedho: het Opper-
wezen , zeggen zij, is te verheven, om door hen te
worden aangebeden; Ondergoden of mindere Goden wor-
den door hen vereerd, en onder deze is ook Boedho.
De Badoeweis of Badoewinen zijn zeer streng in de
waarneming hunner godsdienstige gebruiken; doch de
Orang - Kaboearangi, die eene sekte vormen , welke
zich van de Badoeweis heeft afgescheiden, toonen min-
der naauvvgezetheid. Daar deze nogtans geene Priesters
hebben, moeten zij tot die hunner oorspronkelijke ge-
loofsgenooten toevlugt nemen, zoo dikwijls zij Priester-
lijke hulp behoeven.
Niet ver van Baiitam ligt een stuk geschut, lang
14 voet, met eene monding van omtrent 14 duimen
diameter; denkelijk een geschenk der Portugezen aan een'
Sultan van Bantam.