Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
bergte Kadoewatig, nabij liet zuiderstrand, voortlcomt,
en eene lengte heeft van 70 mijlen, de Kedirie of
rivier van Soerabaia, die in de nabijheid van Berg Kawiö
haren oorsprong heeft en met vele kronkelingen eene
lengte vormt van 55 mijlen, de Oem-pak, de Progo, de
Bogowon(o, die de Levang benevens eene groote menigte
mindere rivieren in zich opneemt, de Sirciyoe, op 35
mijlen lengte gerekend, en de Tjimatrie, welker oor-
sprong hoog op den Tankoeban - Prahn te zoeken is.
Kanalen of gegraven vaarten, hier meestal seloekan
of slokkan genoemd, treft men vooral aan in de
Bataviasche Ommelanden, ook in de nabijheid van Sa-
marang en Soerabaia, in de Residentie Madion en in
Bagelen.
Meren zijn menigviildig; zoo als ook tijdelijke meren
of rawas, die geheel of ten deele in de goede mous-
son opdroogen. Het meer Dame, in Tjiomas, in
het Bantamsche, is wel 6 palen of i uur en 20 minuten
lang; in het oosten van het eiland verdient vooral
genoemd te worden het meer Klindongan, ook het
Binnenwater van Grattee genoemd, en van groote uit-
gestrektheid. Van heete en koude zwavelmeertjes en
minerale bronnen, waaraan geneeskracht wordt toege-
schreven, treft men er niet weinig in het gebergte
aan. Onder de moerassen heeft men Kawa-Pening,
ten zuiden van Ambarawa, wel 6 palen lang, en dat,
waardoor de rivier Levang stroomt, nabij de zuidkust.
§ 14. Bergen. Gebergten en bergketens, ook af-
zonderlijk zich verheffende bergen, kenmerken den
grond. Java bezit een aantal hooge bergen, die
van het westen naar het oosten, door het midden van
het eiland, als in eene dubbele rij voortloopen, hooger
en lager gelegene dalen vormen, en deels uit kalkrotsen
bestaan, maar meestal van basalt-formatie zijn, en of
zuilen, of onregelmatig op elkander gestapelde rotsen
aan het onderzoekend oog vertoonen. Groot is onder
deze het getal Vuurbergen, welke onderscheiden kun-
nen worden in: «) werkzame Vulkanen; b') Vul-
kanen, welke sedert vele jaren werkeloos zijn geble-
ven ; c) die, waarin alle werking geheel schijnt te
hebben opgehouden en welke uitgedoofde Vulkanen
mogen genoemd worden; d') uitgebluschte Vulkanen,
wier trechter zich met water gevuld heeft, dat niet
meer rookende is, hetzij dan dat het water nog sterk,
of