Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
■an
36«
mede het eiland Majoe, dat door Straat Sallee van
Sumbavia gescheiden is.
Er zijn hier vele Vuurbergen. Op de noordkust
onderscheidt zich vooral de Tomboro. In de eerste
dagen van April, 1815, had er eene verschrikkelijke
uitbarsting van den Tomboro plaats; deze was zoo
geweldig, dat men zich op Java verbeeldde, dat de
Merapi een' aschregen over dat eiland uitgoot. De
schokken en trillingen werden niet slechts noordwaarts
op Borneo en Celebes, maar ook noordoostelijk in de
Molukken en noordwestelijk op Sumatra waargenomen.
Men wil, dat de schuddingen, door den Tomboro
veroorzaakt, over eene uitgestrektheid van duizend mij-
len zijn gevoeld. In de meer onmiddellijke nabijheid
van den Vuurberg waren dan ook de verwoestingen,
door dit ontzettend Natuurverschijnsel aangerigt, boven
alle verbeelding groot. De ingewanden der aarde braak-
ten op Sumbawa niets dan vernieling; de zee voegde
hare verwoestingen daarbij, want eene waterberoering
sleepte menschen en huizen in de grondelooze kolken.
Zelfs op het eiland Lombok kwamen vele menschen
om, of doordien zij onder de heete asch begraven
werden, of door gebrek en ellende, daar de gloeijende
aschregen alles verschroeid had. Allertreurigst zag
het er dus op het eiland Sumbawa uit! In het
eigenlijke district van Tomboro bleven van 12000 zielen
slechts eenige weinige over. De groeikracht was daar-
bij als vernietigd. Hongersnood en velerlei kwalen
ontvolkten het eiland, en zelfs vijftien jaar later had
zich het Plantenrijk, anders zoo welig in de keerkrings-
landen, in het Rijk Tomboro van die vernieling nog
niet hersteld.
De aardbeving, welke, in 1836, de noordkust van
Sumbawa op nieuws met de bangste verwachting ver-
vulde, was echter minder zwaar. De schokken begon-
nen des voormiddags van den 28sten November; duur-
den verscheidene dagen met meer of minder hevigheid
voort, en hielden eerst den 5'^en December geheel
op. Reeds op den eersten dag waren onderscheidene
huizen in elkander gestort, en andere dreigden hunne
bewoners onder het puin te bedelven. Het zeehoofd
was zwaar beschadigd, en de muren van het fort be-
kwamen scheuren, toen des avonds de schokken we-
der geweldig toenamen en, door de duisternis, de
angst