Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
566-
Dit dorp lag voorheen aan het strand; doch daar het
meermalen door zeeroovers verontrust werd, zoo heeft
men het verplaatst; het ligt thans aan de helling van
den berg, nagenoeg 400 voeten boven de oppervlakte
der zee, en is door een' klipsteenen muur omgeven.
De nette bamboezen woningen ziin alle van welaange-
legde tuintjes omringd. De Kotta - Compania (het
Compagnies - Huis) ligt, wegens de verplaatsing van het
dorp, alleen nog aan het strand. Men vindt hier een
ruim blokhuis, om hetwelk een muur staat van klip-
steen , alsmede eene vrij groote kerk. Er is tevens
een Schoolonderwijzer, terwijl de gemeente onder den
Zendeling op Makisser behoort.
De eilanden dam me, of dammer,
bestaan uit ééne groep, en zijn alle, behalve het ei-»
genlijke Damme, slechts kleine eilanden; de voor-
naamste zijn de zoogenoemde Water - Eilandjes , ten
zuiden van Damme. Op Damme heeft men, aan de
oostkust, de Baai van Koelewatta, welke zeer diep
is, met de ankerplaats in het oosten, omstreeks den
uitspringenden hoek, waarop vFoeger door de Nederlan-
ders een blokhuis gebouwd werd. Aan de binnenbaai
van Koelev/atta vindt men warme zwavelbronnen, die
tegen rhumatische ongesteldheden heilzaam zijn. Niet
ver van daar ligt oostwaarts een Vulkanisch gebergte,
hetwelk den noordoosthoek van het eiland uitmaakt.
Te voren groeiden hier muskaatboomen; thans is
er nog veel zwaar geboomte, waaronder de kanarie-
boom, uit welks vrucht hier veel olie geperst wordt.
Men vindt overvloed van varkens, geiten en gevogelte.
Hoezeer de naburige wateren veel visch opleveren,
bestaat er evenwel weinig lust voor visscherij, be-
halve voor die van schildpadden, welker vleesch en
eijeren gegeten worden, en van karet, om de schalen.
Reeds vóór het midden der 17de eeuw lag hier eene
bezetting; doch daar het eiland geene voordeelen af-
wierp , werd die in 1662 weder ingetrokken. Een paar
Engelschen kregen hiervan de lucht, en haastten zich,
door geschenken, de welwillendheid der Orangkayas te
winnen, om zich daardoor in Wilhelmusburg te ves-
tigen. Men zag toen, dat men verkeerd had gehan-
deld ; en er vertrokken twee vaartuigen van Banda, met
80