Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
De bevolking van Java is voor het minst twecder-
lei, Soendaaich, van Straat Soenda tot aan de rivier
Tjimanok, of liever tot aan den linkeroever van de
rivier Lossarie, en hivaansch , die over het meer oos-
telijk gedeelte van het eiland verspreid is. De Soen-
daas worden gerekend staragenooten te zijn van de
bevolking, op het zuidelijk deel van Sumatra gezeteld,
en nimmer die hoogte van beschaving te hebben be-
reikt, waarop de Javanen mee regt zich verhoovaar-
digen. De Javanen zijn uit Hindostan afkomstig,
hetgene blijkt uit hunne taal, uit hunne oorspronkelijke
Godsdienst en uit de prachtige overblijfselen hunner
bouwkunst. De Boedho-leer, welke Godsdienst in vroe-
gere eeuwen algemeen was onder hunne vaderen, heeft
tot stichter Boedho of Boedha, volgens de Veda''s of
oude Indische Wetboeken, de negende invleesching van
den Oppergod Vishnoe, terwijl ook de overblijfselen
van tempels en beelden die Goden in het geheugen
roepen, welke door de Bramijnen meer bepaald ver-
eerd worden.
Het westelijke Rijk van Java, Padjadjaran, door Soen-
daas bewoond, wordt gezegd in den aanvang der la^e eeuw
te zijn gesticht, doch vrij wat vroegei- het door de Ja-
vanen bewoonde oostelijke en bovenal magtige Rijk Ma-
djapahit. Beide beperkten hun gebied niet enkel tot Java
en de naburige eilanden; maar Madjapahit had zijne
overwinningen tot zelfs op Borneo uitgebreid. Onder
de regering van B r o w i -J a y a IV, Keizer of Vorst van
Madjapahit, kwamen de Arabieren zijn Rijk bezoeken,
onder het voorwendsel van handel te drijven, doch
voornamelijk met het doel, om er hunne Godsdienst te
verspreiden en langs dien weg tevens tot magt te gera-
ken. Grissee, destijds algemeen genoemd Garsik, was
de haven, waar de Arabische schepen aanlandden, en
van waar, in 1374 (*) onzer jaartelling, Sheik Ed
Dullah en Sheik Moelana Magfoer, ook Ibn
M 0 e 1 a n a genoemd , hunnen invloed en Godsdienst zoch-
ten te vestigen. De laatste nam zelfs den titel aan van
Soesoehoennan Goenong - Jat ie. Toen Browi-JayaV,
on-
C*) Volgens anderen , doch min waarschijnlijk, reeds om-
streeks liet jaar 1300,
mim