Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
5Ö9
Het eiland sombo, of tjindano, ook
sandelhout-eiland genoemd,
ligt ten westen van Flores, of Ende.
De inwendige gesteldheid van dit eiland is zeer wei-
nig bekend. Het water van verscheidene rivieren is,
zegt men, zwaar met kalkdeelen bezwangerd, ten
gevolge van de kalkrotsen, welke inzonderheid in het
zuiden gevonden worden. Op de zuidkust, die veelal
steil is, heeft men hier en daar hoog kalkgebergte;
in het midden is de grond minder bergachtig, en
noordwaarts wordt hij door diepe zandvlakten door-
sneden. In het noorden vindt men tevens uitgestrekte
bosschen, en langs de kust aldaar eenige goede ha-
vens , waaronder, als de voornaamste, de IFillems-
en Beringsbaai genoemd worden. Men wil, dat hier
groeven zijn van fraaije marmersoorten.
De voornaamste voortbrengselen zijn rijst, jagong,
katjang, oebie, klapper-olie, paarden, welke men nog
beter acht dan die op KoUie, buffels, varkens , gei-
ten , honden, ratten, een geliefd voedsel voor de Tjin-
daners , gevogelte , vogelnestjes , kapas, en, op de
naburige banken en klippen, tripang en karet. Men
vervaardigt hier goemoetie - touw , en weeft, voor ei-
gen gebruik, eenige grove stoffen. Men vindt sandel-
hout; doch de naam van Sandelhout - Eiland, door de
Engelschen aan Sombo gegeven, is in zooverre oneigen-
lijk, daar het sandelhout hier niet bijzonder overvloedig
is, en ook de inwoners geen sandelhout kappen. Zij
laten dit evenwel enkel uit vooroordeel, en beletten
den vreemdeling het kappen niet.
Het eiland wordt bewoond door sterk gespierde, ge-
zonde en werkzame menschen. Men houdt hen ook
voor beschaafder, dan de bewoners der naburige eilan-
den ; doch door moed munten zij geenszins uit, en
hunne oorlogen zijn zelden bloedig. Men roemt hunne
kuischheid en goede trouw; zij vinden er echter geen
kwaad in, ongelukkige schipbreukelingen, welke op
hun eiland aan wal komen, te berooven. Zij erken-
nen een Opperwezen, en eerbiedigen een' goeden en
een' kwaden geest: maar Priesters of vvigchelaars wor-
den onder hen niet gevonden.
De voornaamste plaats is:
Labaya, een vlek op de noordkust aan de Willems-
Y 4 haai.