Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
534-
tot spijs en drank tevens; terwijl van de loutar- en
bebakbiaden doosjes, matten enz. gemaakt worden.
'Het goud- en kopergraven geschiedt in de rivieren,
en tot nog toe heeft men geene mijnen ontgonnen.
Het eenige, wat men vindt, is derhalve zuiver goud
of koper, dat, door de regens losgespoeld, in de
rivierbeddingen op den bodem is gezonken: het goud
ten hoogste ter grootte van eene maïskorrel; het koper
grooter; zelfs beweert men, dat er stukken ter zwaar-
te van 70 te gevonden zijn. Dit laatste wordt boven
het Japansche koper geacht, daar het zich nog beter
met het goud laat vermengen, en aldus dat zamenge-
stelde metaal voortbrengt, hetwelk (oewassa, loewassa,
of sitassa genoemd, en, op sommige plaatsen van
den Indischen Archipel, hooger dan goud geschat
wordt. Bij het goudgraven heerscht weinig ijver, en
nog minder bij het kopergraven. Nabij de zuidkust,
in de Bogt van Amanoebang, tot het Rijk Amaras-
sie behoorende, is eene parelbank, en verder om het
zuidoosten zijn riffen en klippen, waarop tripang ge-
vangen wordt. In de naburige zeeën vertoonen zich
veel walvisschen.
Hier zijn Nederlandsche Posthouders, of Vertegen-
woordigers van den Resident, bij de Vorsten van
Nayloy, Soetrana, Attapoepoe en Maubara, langs
de noordkust, en bij dien van Amarassie, op de
zuidkust.
De bevolking van Timor wordt hoofdzakelijk ver-
deeld in Timorezen en Bellonezen. Men wil, dat de
eerste, die het westelijk gedeelte des eilands bewo-
nen , van Ceram, en de andere, voornamelijk in het
oosten gevestigd, van de Ternataansche Eilanden,
vooral van Gilolo, afkomstig zijn. Er bestaan dus
eigenlijk twee Keizers op het eiland; doch de Ketters,
of Landvoogden, hebben zich hier en daar onaftanke-
lijk gemaakt, en regeren onder den tiel van Radja.
Behalve Fetters, of Landvoogden, zijn er Tommok-
kons, of Districtshoofden, die over een zeker getal
huisgezinnen het bewind voeren.
Een gedeelte van het noordelijke Timor staat onder
Portugeesch Bestuur. Onafliankelijk, echter niet tal-
rijk, zijn de Hornays, of de zoogenoemde zwarte
Portugezen, mede op de noordkust gevestigd; zij zijn
afstammelingen van zekeren d'Hornay, die reeds in
de