Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
356-
§ i. Ligging cn Greiizen. Tusschen 114° 35' en
130° ao' oosterlengte van Greenwich, en tusschen 7° 33'
en 11° 6' zuiderbreedte, behalve eenige kleine eiland-
jes , die noordelijk • buiten de opgegevene breedte lig-
gen. Ten noorden worden deze eilanden bespoeld,
of dooT de Soendasche, of door de Bandasche Zee,
ten oosten, en, deels ten zuiden, door de Zee van
Nieuw - Holland, verder ten zuiden door den Grooten
Oceaan, terwijl Straat Balie die eilanden ten westen
begrenst.
§ 2. Uitgestrektheid en Bevolking. De uitgestrekt-
heid is zeker groot, daar men hier, van Java af,
te denken heeft aan de geheele schakel der Soendasche
Eilanden, welke, aan het oostelijke einde in kleine
eilandjes verbrokkeld, zich als aan de Ooster-groepen
aansluiten. Men schat de oppervlakte dezer menigte
eilanden te zamen op 13340 vierkante mijlen, en de
bevolking ten minste op 4000000 zielen.
§ 3. Luchtgesteldheid. Hoewel deze eilanden nage-
noeg alle op dezelfde breedte liggen, zoo is echter de
hitte meer of min drukkend, en de luchtgesteldheid
meer of minder gezond of ongezond, naar mate de
winden regtstreeks uit zee of van het gebergte afkomen,
dan wel of zjj over dorre vlakten of over moerassige
of aangeslibde gronden waaijen. Veelal is echter de
hitte op deze meer drukkend, dan op onderscheidene
andere eilanden van den Indischen Archipel, die, onder
gelijke breedtegraden, meer westelijk gelegen zijn.
§ 4. Voortbrengselen. Men behoort niet uit het oog
te verliezen, dat op deze eilanden, en wel bijzonder
op het vrij groote Timor, het raakpunt is, waar de
voortbrengselen uit het dierenrijk, welke in Azië en
op de daaromstreeks liggende eilanden te huis zijn,
geheel verdwijnen, en voor die van Australië of
Polynesic plaats maken. De groote dieren van Azië
worden aan de uiterst oostelijke grens dezer eilanden
te vergeefs gezocht. Op Sumatra vindt men den oli-
fant , op Java den neushoorn, op Balie den tijger,
op Timor nog het paard, verder oostwaarts nog wel den
buffel, doch dit sterke breedgeschofte dier, dat op Ja-
va , in den strijd tegen den tijger, gewoonlijk over-
winnaar blijft, is hier, als 't ware, tot een' dwerg
ingekrompen. Rr zijn bijna geene verscheurende vier-
voetige dieren meer, dan alleen de vraatzuchtige kaai-
man.