Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
348-
gen wel eene zekere kunstvaarciigheici in de gemelde ver-
sierselen der kanoes aan den dag, en nog meer bij het
vervaardigen van wapenen, ja ook bij het maken van
kleine doosjes met schelpen en zeehoorn ingelegd; doch
voor het overige is er geen spoor van kunsten of we-
tenschappen te ontdekken.
§ 9. Taal. Deze behoort tot de Polynesische ta-
len ; echter blijkt, bij vergelijking, dat de talen, welke
op de westkust en op de noordkust worden gespro-
ken, onderling zeer verschillen. Zelfs op de west-
kust , wanneer men eenige onderling overgenomene
woorden uitzondert, zou men tot het bestaan van drie
of meer van elkander geheel afwijkende talen moeten
besluiten. De taal van Onin en die van de eilanden
schijnen het meest beschaafd te zijn.
§10. Middelen van Bestaan. Deze zijn het bou-
wen van eenige aardvruchten, het verzamelen van mas-
sooi, was en vogelnestjes, het vangen van tripang,
het schieten van paradijsvogels, met pijlen, die aan
de punt van een' knop voorzien zijn , waardoor de vo-
gel bedwelmd, maar ongekwetst nederstort; de ingewan-
den worden er dan voorzigtig uitgehaald, en de pooten
afgesneden (hetgeen aanleiding gegeven heeft tot het
sprookje, dat de paradijsvogel geene pooten had), waar-
na de vogel in den rook gedroogd wordt. Voorts die-
nen ook karet, de j)areloester, de paarlenioerschelp,
ambergrijs, benevens rosamale- en belisharyhout, den
Papoes tot ruilhandel tegen andere benoodigdheden.
§ II. Kapen. Met de zuidkust beginnende, en van
daar langs de westkust naar het noorden voortgaande,
ziet men: Kaap Kool, Valsche kaap, Kolfshoek, Hoek
Oetanata , Boero , Koemoera, Kaap van den Bosch,
Kefshoek, Vinkskaap , Hoek van Sabelo, of Onin ,
Spencerspunt , Hoek de Drempel, Kaap de Goede
Hoop, Hoek van Pamanoekan, yan Krawang, Geel-
vinks westhoek, den Groenen hoek. Boompjes westhoek.
Boompjes costhoek , Massooi - hoek , Boezeroenshoek ,
Miinnikshoek , den Hoorn, Pinkster - oosthoek, JakO'
bus van de Kampshoek, den Valschen hoek (deze
laatste alle, van Geelvinks westhoek af, liggen in de
Geelvinksbaai) en Geelvink: oosthoek.
% 12. Zeeboezems en Straten. Prinses Marianne-
straat, welke, op de westkust, in de Dourgabogt
uitkomt, Bogt van Lakahie, Irisstraat, Tritonsbaai,
Bogt