Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
337-
Afrikaanschen neger heeft. Zijn haar is minder kroes,
en ziet er veelal onaangenaam, stroef en ros uit, het-
gene veroorzaakt wordt door den kalk, waarmede htj
het smeert of inwrijft. De Papoe is, ten gevolge van
groote onzindelijkheid en van zijn gewone voedsel, veel
aan huidziekten onderhevig. Er wordt dikwijls onder-
scheid gemaakt tusschen de strandbewoners en die der
binnenlanden; dit onderscheid valt echter meer in het
oog aan de noordkust dan aan de westkust; maar er
bestaat tevens verschil tusschen den Papoe der westkust
en dien der noordkust of der eilanden. De laatste zijn
zindelijker, hebben minder huidziekten, en onderschei-
den zich ook door hunne inborst, zoowel als door
hun uiterlijk, gunstig van den Papoe der westkust.
§ 6. Zeden en Gewoonten. De inwoners staan op
een' lagen trap van beschaving. Zij hebben zich op
de westkust, vooral naar het zuiden, steeds, waar de
gelegenheid zulks toeliet, moorddadig en verraderlijk
betoond. Langs die geheele westkust is menschenroof
een gewoon bedrijf; en ouders en kinderen zijn ge-
voelloos omtrent elkander. De Papoes dragen bijna
geene kleederen. De hutten zijn van bamboes, met
matten gedekt, en hebben niet zelden eene lengte van
100 voet en meer; zij worden alsdan bewoond door
onderscheidene huisgezinnen, die ieder een klein ge-
deelte hebben , met eene afzonderlijke deur, welke de
eenige opening is, en waardoor de rook, wanneer er
gekookt wordt, een' uitweg moet zoeken. Op de
noordkust en op de eilanden staan de huizen meestal
op palen, en deze hebben een' gang of galerij, waarop
al de deuren uitkomen ; die woningen zi^n veeltijds
boven het water gebouwd. De eilanders vervaardigen
zelve hunne kanoes, soms ter lengte van 6o voet, uit
boomen, welke zij uitbranden en uitholen; sommige
dier kanoes zijn niet onaardig met allerlei snijwerk
versierd.
§ 7. Godsdienst. De Papoes zijn Heidenen, zoo
het schijnt Fetiche-dienaars, en hebben over het ge-
heel weinig denkbeeld van Godsvereering. Men geeft de
verraderlijke inborst der inlanders als de reden op,
waarom de Oostindische Maatschappij geene pogingen
heeft aangewend, om het Christendom onder hen te
laten verkondigen.
§ 8. Kunsten cn Wetenschappen. De inwoners leg-
X gen