Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
oJMi
de gronden hoog, en is de lucht drooger; in die
streken en op de Papoesche Eilanden mag men de
luchtgesteldiieid gezond noemen.
§ 4. Voortbrengselen, Ijzerhout en ander zwaar en
duurzaam timmerhout; ebbenhout, dat zelfs soms de
zeer ongewone dikte van vijf voet middelüjns heeft; de
muskaatboom ; velerlei palmsoorten, vooral de sago en
goemoetie enz.; de pandaan; de kasuarine; ook wel-
riekende houtsoorten, als de rosamale en belishare, of
belishary; de hier bijzonder goed groeijende massooi,
die tot het geslacht der laurierboomen behoort, hoog
en zwaar is, en uit hout en bladen een' specerijgeur
van zich geeft, doch welke hoedanigheid vooral in
den bast zit. Deze bast of schors komt in den han-
del, en wordt in China, sterk getrokken, als uitwen-
dig tegen lamheid en zenuwzwakte, inwendig tot ver-
warming dienstig. De dikke schors wordt voor ^e
beste gehouden, en op dezelfde wijze als de kaneel-
schors verkregen. De massooi is op de Aroe-Eilan-
den ook wel niet onbekend; doch de soort is veel
minder en niet zoo deugdzaam. Langs de moerassige
oevers der rivieren groeit bamboes, en aan zoodanige
kusten de mangga en de mangrove, of mangelboom;
voorts pisang, pompoenen, papayers, jamboes, oebie,
katjang, kingsing en andere aardvruchten, of boontjes.
Onder de viervoetige dieren zijn geene groote, of
verslindende, en slechts weinige en kleine soorten, als
varkens, de koeskoes, eene soort van luiaard, en de
kangoeroe, of springhaas. De aap is er evenmin als
op de Ooster - groepen te vinden. Men ziet hier vo-
gels van buitengewone en zeldzame schoonheid; de
voornaamste zijn de kroonvogel, of kroonduif, de
ijsvogel , en vooral de paradijsvogel, waarvan ver-
scheidene soorten, en onder deze de zwarte als de
zeldzaamste geacht wordt. Bij den Papoe heet de pa-
radijsvogel mambo - soro , op Tidor , sofoe , en in het
Maleisch, manoe - dakurata. Eindelijk zijn er veel kaai-
mannen , bovenal en talrijk in het zuiden, hagedissen
en slangen, doch geene vergiftige soorten, schildpad-
den, karet, visch in overvloed en in groote verscheiden-
heid , hetgeen ook van de tripang kan gezegd worden.
§ 5. Inwoners, De Nieuw - Guinesche of Papoe-
neger, ook enkel Papoe genoemd, is klein en van
een zwak uiterlijk, dat voor het overige veel van den
Afri-