Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
345-
almede voor de Nederlanders den handel alhier gesta-
dig moeijelijk, ten einde, op een of ander gedeehe
der kust, in het bezit van den alleenhandel te blijven.
Daarenboven is het weinige voordeel, dat de handel
oplevert, de reden, dat de Oostindische Maatschappy
geene doortastende maatregelen heeft willen nemen;
en zoo zijn de Gorammers en anderen in het bezit
van den uitsluitenden handel gebleven. Aan deze om-
standigheden is bet denkelijk te wijten, dat het tlians
in alle opzigten met de Papoes weinig anders gesteld
is dan twee eeuwen geleden. Een bepaald verlof
van den Resident van Ternate is thans noodig tot
de vaart op Nietm - Guhtca, of de daartoe behooren-
de eilanden.
§ i. Ligging en Grenzen. Van 129° 20' tot 141°
oosterlengte van Greenwich, en van 0° 22' tot 9° 6'
zuiderbreedte; dus ten westen bepaald door de Zee van
Gilolo, of Gilolo - passage, de Zee van Ceram en de
Zee van Banda, ten zuiden door de Zee van Nieuw -
Holland en de Torresstraat, ten oosten door de oost-
zijde van Nieuw - Guinea, en ten noorden door de Pa-
poesche Z.ee.
' 2. Uitgestrektheid en Bevolking. De oppervlakte
J van Nieuw - Guinea en de Papoesche Eilanden be-
draagt, naar men wil, 13000 vierkante mijlen, en de
bevolking 800000 zielen.
§ 3. Luchtgesteldheid. Daar Nieuw-Guinea onder
of nabij de linie. ligt, zoo is dc warmte er natuur-
lijk drukkend; vooral waar de bodem uit aangeslib-
- den of moerassigen grond bestaat, is het zeer onge-
^ zond. In het zuiden der westkust liggen zelfs uit-
; gestrekte modderbanken voor den wal, die het nade-
( ren moeijelijlc maken. De ongezondheid wordt er ver-
meerderd door de digte bosschen, welke den moeras-
1 sigen bodem bedekken. Hoewel de grond meer naar
het noorden minder moerassig is , zoo beletten echter
< de digte wouden het vernieuwen van den luchtstroom,
I en de vochtige dampkring maakt het er almede onge-
i zond. Slechts in de nabijheid van de noordkust zijn
' de