Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
324-
eeuw zeer verwaarloosd waren, zoo is het Christendom
er nogtans levendig gebleven, totdat de wakkere en on-
vermoeide K a m er het Evangelie weder heeft begonnen
te prediken en de kinderen te doopen.
§ I. Ligging en Grenzen. Tusschen 130° 52' en
134° 58^ oosterlengte van Greenwich, en tusschen 5°
15' en 8° 31' zuiderbreedte. Zij liggen in de Bandasche
Zee.
§ 2. Uitgestrektheid en Bevolking. Eigenlijk hebben
deze groepen in het westen de Bandasche Zee, in het
noorden en oosten de Papoesche Zee en in het zuiden
de Zee van Nieuw - Holland. De oppervlakte bedraagt
nagenoeg 600 vierkante mijlen, en de bevolking 300000
zielen.
§ 3. Luchtgesteldheid. De lucht is gezond, behalve
hier en daar langs de lage oevers van de zoutkreken,
welke op de Aroe- en Tenimber - Eilanden worden ge-
vonden , alwaar hoog riet en mangroves, of mangel-
boomen, veroorzaken, dat de vochtige dampen blijven
hangen.
§ 4. Voortbrengselen. Voornamelijk sago- en kokos-
palmen , muskaat- en kanarieboomen , jagong, katjang ,
oebie (aardvrucht of wortelen), laboe (eene vrucht
als de meloen , ook van grootte, doch van smaak min
of meer als de raap), weinig suikerriet en rijst; voorts
hoornvee, paarden , varkens , geiten, de pilandok, of
het Aroesch konijn, die de grootte van het konijn heeft,
doch van het geslacht is der springhazen of kangoeroes;
velerlei fraai gevogelte, en daaronder de paradijsvogel,
alsmede eene menigte en verscheidenheid van tripang,
waarvan men in deze streken meer dan twintig eetbare
soorten heeft.
§ 5. Inwoners. Deze behooren geenszins alle tot
denzelfden stam. Men heeft, vooral onder de slaven,
den Papoe-neger; deze is klein, zwart van huid, met
krullend, doch geen kroes haar, zoo als de Afrikaan-
sche. De Alfoeren zijn bruin van huid, en hebben han-
gend haar. Volgens sommigen zijn de bewoners van
Aroe voortgesproten uit eene vermenging van Cerammers
en