Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
329-
wordt uit deze een Opper - Orangkaya gekozen. Al deze
Opperhoofden moeten zich naar de Ceramsche gebrui-
ken , of adats, gedragen, willen zij zich de algemeene
vijandschap hunner naburen niet op den hals halen.
S 17. Verdeeling. Tegenwoordig wordt geheel Ce-
ram tot de Residentie Amboina gerekend; de kleine
Ceramsche Eilanden behooren onder de Residentie
Banda.
• Ceram,
het grootste der Moluksche Eilanden, wordt verdeeld
in Groot- of Oost-Ceram, en in Klein - Ceram, of
Howamohel, dat het Wester-Schiereiland uitmaakt. Een
gedeelte van Groot-Ceram behoorde voorheen tot het
gebied van Ternate, en het overige onder Tidor.
De natuurlijke gesteldheid alhier is te weinig bekend,
om er veel van te zeggen. Nabij de landengte Tanoenoe
ligt het meer Tehoemiena. In de nabijheid van het vlek
Elpapoeteh, op de zuidkust, vindt men eene heete bron,
die denkelijk gemeenschap heeft met de heete bronnen,
welke, op eenigen afstand in zee, in de rigting van Oma
aangetroffen worden. Deze bronnen, die met mineraal-
deelen bezwangerd zijn, geven heet en weleens kokend
water te midden van het zeewater op, en verheffen zich
somti,ids, al ziedende, tot boven de oppervlakte der zee.
De vruchtbaarheid van den grond voorziet over het
algemeen de bevolking, welke, naar de uitgestrektheid
des eilands, geenszins talrijk is, van al het benoodigde.
De sago- en broodboomen vindt men in grooten over-
vloed in de bosschen; eenige aardvruchten worden hier
aangekweekt, en de kokos- en kanarieboomen verschaffen
den bewoners de noodige olie; terwijl in de bosschen
fraai en deugdzaam hout van velerlei soorten gekapt wordt.
De voornaamste plaatsen zijn:
Kambello, een vlek, op de westkust van het schier-
eiland Howamohel. Hier stond in het begin der 17de
eeuw een klein fort, dat naderhand vergroot, en in
1646 tot eene goede sterkte. Fort Hardenberg g&axmA,
verbouwd werd. Men wil, dat alhier, slechts weinige
jaren na den aanvang der 17de eeuw, de eerste moerna-
gelen van de Ternataansche Eilanden zijn aangebragt,
en de nagelteelt zich daarna verder over geheel Howa-
mohel, Amboina enz. heeft verspreid.
Ta-