Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
516-
velerlei kastcr.inakershout, waaronder het zoo fraaije Am-
boinsch wortelhout, dat in de Ceramsche bosschen tot
buitengewone dikte voorhanden is; voorts heeft men er
grooten overvloed van sago- en kokospalmen, van brood-
boomen, kanarieboomen, ligor, kajapoet enz. Er zijn
herten , wilde zwijnen , kazuarissen , reigers , en onder
het kleiner gevogelte velerlei en eene menigte kakketoeën;
veel groote en kleine kaaimannen, ook giftige slangen en
eene groote hoeveelheid en verscheidenheid van insekten.
§ 5. Inwoners. Deze zi^jn over het geheel van twee-
derlei oorsprong: van den Howamohelschen stam , zoo
als op de Amboinsehe Eilandeti, en van den Ceram-
schen stam. Sommigen willen, in de binnenlanden van
Ceram , de nog zoogenoemde Alfoeren als een' afzon-
derlijken stam beschouwd hebben. Er zijn ook Malei-
jers, alsmede vlugtelingen van de Soenda-Eilanden;
doch grooter in getal zijn de slaven, die op Balie,
Sumbawa of Nieuw-Guinea gekocht of gestolen zijn.
De bevolking van Ceramschen oorsprong is echter het
talrijkste, en heeft tevens het bewind in handen.
§ 6. Zeden en Gewoonten. De Howamohelsche stam
is rustig; de andere is meer woelig, en meer geneigd
tot het zeeleven en de zeerooverij. Op Ceram leven
nog koppesnellers; doch dat zij menschenvleesch zouden
eten, schijnt onjuist en overdreven te wezen. De wonin-
gen zijn meest op palen gebouwd, en de stranddorpen
veelal op moeijelijk te beklimmen hoogten of rotsen aan-
gelegd, en met klipsteenen muren omringd, ten einde
te beter tegen onverhoedschen aanval gedekt te zijn.
§ 7. Godsdienst. De leer van Mohammed heeft
hier weinig ingang gevonden; meer het Christendom,
vooral op het schiereiland Howamohel en langs de zuid-
kust van Ceram, alwaar men, reeds in het midden
der 17^1; eeuw, een niet onaanzienlijk getal Christe-
nen vond. Voor het overige bestaat de bevolking uit
Heidenen.
§ 8. Kunsten en Wetenschappen. Alhoewel de graad
van beschaving op al deze eilanden niet dezelfde is,
zijn nogtans in het algemeen, door drukker verkeer
met vreemdelingen, de strandvolkeren niet zoo onbe-
schaafd, als die de binnenlanden bewonen. Van eigen-
lijk gezegde kunsten of wetenschappen is echter geen
spoor te vinden.
§ 9. Taal. Sommigen meenen, dat het alleen de
Ho-