Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
512
clers) als brokken hout door elkander geworpen wer.
den, en dat een zwaar anker, daar digt bij aan het
zeehoofd, dat sedert jaren met den eenen arm in den
grond had gezeten , het onderste boven gevonden
werd.
De eigenlijke uitbarstingen van den Bandaschen Vul-
kaan hebben, zoo als gezegd is, meermalen voor de
bewoners rampspoedige gevolgen gehad; doch nimmer
waren deze zoo langdurig en ontzettend in hare uit-
werkselen, als in het jaar 1691. De ontploffingen en
vuurbrakingen, welke dat jaar kenmerkten, duurden met
tusschenpoozen voort tot in het jaar 1696. Alles werd
bedorven of verschroeid door de gloei^jende lava of de
heete asch. Stinkende en pestachtige uitdampingen ver-
oorzaakten aanstekende ziekten. Men verhaalt, dat een
bedekte weg, van 80 vademen diepte, door die gloeijen-
de lava, niet alleen gevuld, maar boven den nabu-
rigen grond werd opgehoogd ! De verwoestingen, op
deze of gene wijze veroorzaakt, en de voortduring
dier verwoestingen vooral, maakten den toestand der
ingezetenen zoo verschrikkelijk , dat men algemeen
oordeelde , dat, om te behouden , wat nog te behou-
den was, er niets anders overschoot, dan de Banda-
sche Eilanden geheel te verlaten. Menig welgezeten in-
woner verliet ook werkelijk deze rampzalige eilanden,
om zich op Amboina, Ternate of Makasser neder
te zetten; ja het stond geschapen, alsof er weldra geen
enkel inwoner op de muskaat-eilanden zou overbleven.
De standvastigheid en vastberadenheid van den Gouver-
neur der Bandasche Eilanden Balthazar Coyet
(Tzoon van Frederik Coyet) voorkwam deze ramp.
Evenwel dagteekent het verval van vele perkeniers van
dit noodlottige tijdvak.
Ook in deze eeuw heeft men uitbarstingen van den
Vuurberg, weinige jaren na elkander, kunneft waarne-
men, en wel in 1816, 1820 en 1824. De laatste reis
begon de berg gloeijende stoffen uit te werpen, juist
toen, op den 22stcn April, 1824, de Gouverneur-Ge-
neraal van der Capellen in de nabijheid van den
Goemng-Apie kwam, om die eilanden te bezoeken.
Tot het einde van Juni,j duurden de vuurbrakingen
voort. Van den 9dtn tot den isdt", en op den 25"«»
dier maand, zag men gloeijende steenklompen tot hoog
m het luchtruim geshngerd , die den laatsten dag van
eenen