Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
510-
voet en aan het lagere gedeelte van den berg ziet men
kokos- en andere palmboomen. Men vindt er wilde buf-
fels en zwijnen. De weinige bewoners zijn Timorezen,
hoewel ook enkele ingezetenen van Ncira hier, inzon-
derheid langs het Zonnegat, tuinen hebben aangelegd.
Uit zee gezien, vertoont de krater zich als eene
langwerpig getakte wijde kloof, waaruit, te allen tij-
de, rookwolken opstijgen, die veelal met vlammen ver-
mengd zijn. Aan de oostzijde vooral rqst de berg steil
opwaarts; aan de westzijde is de helling meer glooi-
jend. Bij het beklimmen van den berg, ontmoet men
eerst zwaar geboomte, uitstekende rotspunten, alsmede
scheuren en kloven, waarin men gevaar loopt neder te
storten; het geboomte wordt vervolgens minder digt en
minder zwaar; het ontaardt in kreupelgewas met vaal
gebladerte, en weldra komt men aan het naakte gedeelte
des Vuurbergs. Los op elkander liggen de rotsblokken,
de klippen en de lava; zij zijn dus bedriegelijke rust-
punten voor den voet, daar zij vaak, bij de minste aan-
raking, naar beneden glijden of nederstorten, en, roet
versnellende vaart, ook andere blokken medeslepen. De
kegel wordt nu steiler, en het beklimmen, vooral door
den adem benaauwende zwaveldampen, moeijelijker. De
«rechterswijze gevormde krater had, in 1817, aan den
top 400 voet in doorsnede, en men kon, langs den
binnenrand, den vreesselijken vuurgloed een weinig na-
deren , niettegenstaande aan de noordzijde bestendig dikke
sulferwolken uit den poel naar boven kronkelden. Aan
de eene zijde verhief zich nog eene piek, ongeveer 300
voeten hooger dan de kraterrand, welke op nagenoeg
2000 voeten boven den zeespiegel geschat wordt, en,
volgens sommigen, zich bij elke uitbarsting door de
uitgeworpene stoffen verhoogt. De uitbarsting van 1816
had, aan de zuidzijde, groote rotsklompen op elkander
gestapeld, die, weinige maanden later, met een deel
van den kraterrand, naar beneden stortten. De laatste
uitbarsting had plaats in het jaar 1824.
Deze Vuurberg is noodlottig voor de naburige eilan-
den, zoowel door de steeds uit zijne ingewanden zich
ontwikkelende zwaveldampen of schadelijke gassoorten,
welke nu en dan ziekten veroorzaken, die vele menschen
wegrapen, — als door de aardbevingen, die de huizen
doen instorten, rotsen doen splijten en groote rots-
klompen tot in de dalen slingeren, — en niet minder
door