Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
300-
moesten er vijf Predikanten en versclieidene Krankbe-
zoekers op de Bandasche Eilanden zijn, welke tevens
met de zorg belast waren over de Key- en Arae-,
alsmede over de Zuidooster- en Zuidwester-Eilanden;
doch in her midden der eeuw was het getal reeds
tot twee Predikanten en twee Krankbezoekers vermin-
derd. Toen, in 1817, die eilanden weder aan de Ne-
derlanders overgingen, had het godsdienstig en schoolon-
derwijs sedert twintig jaar geheel stilgestaan. Er kwam
nu een Zendeling, en thans is er, ingevolge Zijner
Majesteits verordening van het jaar 1835, een Predikant
van de tweede klasse. De Zuidooster- en Zuidwester-
Eilanden hebben hunne eigene Zendelingen.
Van het midden der 18'ie eetiw af, en reeds vroe-
ger, heeft men niet alleen over de laauwheid, maar
ook over de onzedelijkheid der Bandanezen te klagen
geiiad. Zelfs verklaarde een Hoog Ambtenaar, op het
einde der vorige eeuw, dat in het Bandasche Gouver-
nement , hoe klein ook, meer boosdoeners waren dan
in eenig ander. Het valt moeijelijk te zeggen, of en
in hoeverre moedeloosheid het gevolg geweest is van
de rampen, die hunne welvaart ondermijnd en vernie-
tigd hebben, alsmede in r-elke mate onverpoosde zor-
gen en kommer die moeddoosheid tot onverschilligheid
en onzedelijkheid hebben doen overslaan; doch men
mag vooronderstellen, dat zij, in allen gevalle, daartoe
hebben bijgedragen.
§ 8. Kunsten en Wetenschappen. Deze zijn natuur-
lijk van geene beteekenis, zoo ten gevolge van het
gebrekkige schoolonderwijs , als van het geringe verkeer
met vreemdelingen, en bovenal door de trage onver-
schilligheid bij de bewoners.
§ 9. Taal. De Nederduitsche; doch van het Ma-
leisch wordt in den omgang met de inlandsche bevol-
king gebruik gemaakt; waarvan het gevolg is, dat niet
slechts het Maleisch meer algemeen wordt gesproken,
maar dat men ook onder de Liplappen van Nederland-
sche afkomst sommige aantreft, die genoegzaam geen
Nederduitsch verstaan.
§ 10. Middelen van Bestaan. Deze zijn voorname-
lijk tweederlei: '•a. het aankweeken der muskaatboomen,
b. de handel op de oostelijke en zuidoostelijke eilanden,
en c. de arakstokerijen.
De muskaatboom, die in mannelijke en vrouwelijke
ver-