Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
303-
hevigheid voort, totdat het eindelijk den Gouverneur-
Generaal Koen, in het jaar 1621, gelukte, om, hetzij
door het zwaard, of door den honger, de Bandanezen
te overwinnen, zich van al deze eilandjes meester te
maken, en de bewoners, die het niet door de vlugt
hadden kunnen ontkomen, of zich in de bosschen ver-
schuilen, naar Java te vervoeren en te verstrooijen.
Het getal der vlugtelingen was evenwel nog aanzienlijk
genoeg, om den Nederlanders veel kwaads te brouwen.
Vele Bandanezen namen de wijk naar Keffing, Ceram-
Laut, Goram en de verder gelegene oostelijke eilanden,
alwaar zij dikwijls het geluk hadden, de bevolking tegen
Nederland op te zetten, en den muskaatboom aan te
kweeken, waarvan de teelt, niet alleen op die eilanden,
maar ook meer zuidwaarts van Banda, zeer goed slaagt.
Zoo wikkelden zij de Nederlanders in kostbare oorlogen,
of noodzaakten hen voor het minst tot de uitrusting van
gewapende vaartuigen, om de rust te herstellen, en ga-
ven langs dien weg aanleiding tot het stichten van kleine
forten op de eilanden, ten oosten en ten zuiden van
Banda gelegen.
Inmiddels hadden de Engelschen van de onlusten,
tusschen de Nederlanders en Bandanezen, in den zomer
van het jaar 1609, uitgebroken, tot hun voordeel weten
gebruik te maken. In, of misschien vóór 1612 gelukte
het den eersten, op het eilandje Khun vasten voet te
krijgen, en wel op het kleine schiereiland Naylakke.
Van daar hielpen zij, niet enkel die van Khun, maar
ook de volkeren van Lonthoir en Celamme, zelfs nadat
het Traktaat van 1619 hun een aandeel in den specerij-
handel verzekerde. Zoo had het reeds in 1615 en 1616
veel moeite gekost, om het eiland IFay te vermeesteren,
dewijl de Engelschen met buskruid, geweren en goe-
den raad de inlanders hadden bijgestaan. Later werden
de Bandanezen door hen ondersteund met schepen, met
geld, geschut en artilleristen; maar daarom ook werden
de Engelschen in 1621 van al die eilanden verwijderd.
Toen echter beweerden zij, dat Khun hun toebehoor-
de ; doch waartoe diende het bezit van een eilandje,
dat niet alleen geen' leeftogt bezat, en welligt geene
500 muskaatboomen kon aankweeken, maar daarenboven
geene reede en geen drinkwater had? De smokkelhandel
met de Bandasche- en Amboinsche Eilanden was na-
tuurlek alleen het doel van dat bezit.
T 4 Men