Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
te wezen, ten eintie als Bestuurder met de inkndsche
volkeren, zonder botsing, op den duur te kunnen om-
pan.
De oudste zoon van den Vorst verkrijgt meestal den
titel van Kroonprins en Opvolger; doch van deze erf-
opvolging wordt weleens, ten behoeve van een' jongeren
zoon, en zelfs van een' neef, afgeweken. — Vorstin-
nen ziet men zelden aan bet hoofd der Regering. —
Geene troonbestijging of opvolging is wettig, dan na
goedkeuring van het Nederlandsche Gouvernement, en
veelal wordt de Vorst bij de aanvaarding der regering
door een Nederlandsch Ambtenaar met de Rijkssieraden
plegtiglijk bekleed. Een Eerste Minister of Rijks-
bestuurder is gewoonlijk degene, op wien alle ver-
antwoordelijkheid van regeringszaken nederkomt; hij
wordt soms door zijnen" Vorst, tot eigen behoud, aan
den drang der omstandigheden opgeofferd.
Sommige Vorsten zijn in hun Rijksbestuur geheel
afhankelijk van eenige erfelijke grootleen-bezitters, zonder
wier goedvinden zij niets mogen verrigten. In andere
gedeelten van den Archipel zijn geene Souvereinen, en
daar is het bestuur over dorj^n, districten of land-
schappen in handen van Familiehoofden of Oudsten
(^Orangkayas), die, bij de behandeling van algemeene
belangen, zich in eene groote vergadering vereenigen,
en alzoo een federatief bestuur vormen. Nogtans is
het gezag dezer Orangkayas, wat het inwendige be-
stuur over hunne landgenooten aangaat, veelal vrij eng
beperkt.
Over het geheel genomen, genieten de hoogere en
mindere Ambtenaren en Hoofden, zoowel als de Prinsen
van den bloede en de erfelijke Adel, hun onderhoud
ten gevolge van schenking, tijdelijk of op den duur,
van een grooter of kleiner aantal huisgezinnen, waar-
onder de grond, welken zij bewonen en bearbeiden, be-
grepen is. Door een gedeelte der vruchten van hunnen
landbouw, door heerendiensten of door persoonlijke dien-
sten als onmiddellijke volgelingen bewezen, kwijten die
gezinnen zich van de op hen rustende verpligting.
Somwijlen betreft nogtans de schenking niet de perso-
nen, maar meer bepaald den grond. Overal waar het,
zoo als op Java, huisgezinnen (tjatjas) met hunne
Onderhoorige woeroens (de hoofden der huisgezinnen zou
men geërfden en de woerocns hunne afhangelingen of
ar-