Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
281-
spreidt zich al verder en verder, langs de Bandasche
Eilanden, tot naar de zuidkust van Amboina. Hier
echter ziet men het minder over de geheele opper-
vlakte der zee, en vertoont het zich zelden anders
dan in strepen of stroomen. Het gaat nogtans weieens
verder dan Amboina, tot bij de zuidkust van Celehes.
Reeds vóór V a 1 e n t ij n hebben Nederlandsche reizi-
gers hetzelve tot in de nabijheid van Boeton opge-
merkt. Voornamelijk hebben deze de Melkzee gezien
tusschen de Valsche kaap, op Nieiiv/- Guinea en op
de Bandasche Eilanden, omstreeks de Tenimber- en
Aroe-groepen. Men meent deze Witte Zee in die wa-
teren in het bijzonder te hebben waargenomen bij ooste-
en zuidoostewinden, waardoor het zou schijnen, alsof
het witte water door de Torresstraat wierd aange-
voerd. Volgens sommigen, vergezelt eene zware dei-
ning , gevaarlijk voor kleine vaartuigen, dit verschijn-
sel, vooral in den omtrek der Aroe- en Tenimber-Éi-
landen, waar men wil, dat het wit ook eene meer-
dere helderheid aanneemt dan elders. Er zijn er, die
beweren dit witte zeewater enkel bij nacht te hebben
opgemerkt; doch overeenkomstig de meest waarschijn-
lijke berigten, vertoont de zee zich ook bij dag wit,
en bepaaldelQk tusschen het begin van Junij en het
einde van Augustus. Van hetzelfde verschijnsel spre-
ken almede eenige zeelieden, die het ten westen van
Bombay en in den Perzischen Zeeboezem , en wel in
de maand Augustus, gezien hebben; andere hebben
eene Melkzee ten zuiden van de Soendasche Eilan-
den, of in de nabijheid en ten noorden van Mauri-
tius , waargenomen; doch deze gewagen er steeds van
als van een zeldzaam verschijnsel , terwijl het daaren-
tegen ten zuiden van Amboina en in de wateren van
Banda zeer gewoon is.
De Baai van Ambon, waarvan het inkomen, door
ondiepten, riffen en een' sterken stroom, gevaarlijk is,
moet tevens de valwinden van de naburige gebergten
verduren; zij heeft slechts op enkele plaatsen goeden
ankergrond, en is, uit dien hoofde, gemakkelijk tegen
eenen vijandelijken aanval te beschermen. Men verdeelt
dezelve in binnen- en buitenbaai. De buitenbaai heeft
drie mijlen lengte, en is, op het smalst, tusschen den
Galgenhoek en den Hoek van Laha , eene mijl breed;
hierachter vindt, in de westmousson, eene vrij aanzien-
S 5 lij-