Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27(J
tot de Aroe-, en zelfs tot de Zuidwester - Eilanden uit.
Na V a 1 e n t ij n , was in de Molukken zeker geen ver-
dienstelijker man dan Kam.
§ 8. Kunsten en Wetensehappen. Men maakt hier
veel werk van het gezang, en men hoort de Christe-
nen dikwijls des avonds, met statige welluidendheid,
psalmen zingen. Voor het overige betoonen de eilan-
ders weinig zucht voor kunsten en wetenschappen,
waartoe zij ook misschien niet veel gelegenheid en aan-
moediging vinden; doch snedigheid en vernuft, en dus
geschiktheid tot dezelve, openbaarde zich bij hen ge-
noegzaam in den opstand van 1817, zoowel in het
aanleggen hunner versterkingen, als, en voornamelijk,
in het stellen van hinderlagen , die aan menig een' zware
wonden veroorzaakt of het leven gekost hebben.
§ 9. Taal. Deze is op Amboina en de Uliasers
veelal laag Maleisch, maar met eene menigte Howa-
mohelsche woorden vermengd. Op de andere eilanden
is de kennis van het Maleisch minder algemeen, de-
wijl het gebruik dier taal hoofdzakelijk aan den om-
gang met vreemden, alsmede aan het godsdienstig- en
schoolonderwijs, dat steeds in het Maleisch geschiedt,
moet toegeschreven worden.
§ 10. Middelen yan Bestaan. Onder deze behoor-
den vroeger het kappen van ebben- en sapanhout,
het aankweeken van koffij en het bereiden van indigo,
alhoewel voor dit laatste even weinig lust bestond,
als voor den peperbouw, welken de Oostindische Maat-
schappij alhier zocht aan te moedigen; de andere ge-
noemde takken van bestaan schijnen, na de vermees-
tering des Lands door de Engelschen, op het einde
der vorige eeuw, grootelijks te niet gegaan te zijn.
Men houdt zich nog bezig met het kappen van fijne
houtsoorten {salmonie en lingod) voor de kastenmake-
rij, zoowel als met het trekken van kajapoet-, seree-
en nagel-olie, ook van de koelie - la wang- uit den bast,
en van de sassefras - olie uit de wortels van den sas-
sefrasboom. De jagt en de visscherij leveren milde
bronnen van bestaan; doch de voornaamste is welligt
de nagelteelt. Op Amboina was echter de arbeid in
de nageltuinen eene meestal drukkende heerendienst,
hetgene echter in 1824 merkelijk is verbeterd gewor-
den. De nagelboom groeit best op een' Vulkanischen
rotsachtigen bodem, aan de helling der bergen, waar
hij