Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
274-
Dieren. Zwijnen, herten, babi-roussa's (♦), als
ook, doch minder talrijk, buflels en runderen; de
koeskoes, eene soort van buidelrat, veel op de wezel
gelijkende; de kazuaris; onder de kakkeioeën is hier
de zwarte, of de beo, die beter dan eenige andere
soort de menschelijke stem leert nabootsen; onder de
slangen, de cobra - kapella en de oelar - beloeda , beide
vergiftig; velerlei visschen en schelpdieren; onder deze
de monster-oester, tot drie voeten lang en twee voeten
breed, welke de inlanders in hare schelp gaar maken
en met smaak nuttigen.
Delfstoffen. Men wil, dat de grond hier en daar
goud en ook ijzer bevat.
§ 5. Inwoners. Zij zijn van Howamohelsche afkomst,
of althans van denzelfden stam , als de bevolking van
het wester - schiereiland van Ceram, en hebben de-
zelfde overleveringen en gebruiken. Op sommige ei-
landen behooren slechts de kustbewoners tot dezen of
tot den Maleischen stam, terwijl men die der berg-
streken onder de Alfoeren begrijpt. Zij zijn goedaardig
en eerlijk, maar traag, bij- en ligtgeloovig, en daaren-
boven ligt ontvlambaar, alswanneer zij dapperheid met
wreedheid vereenigen.
§ 6. Zeden en Gewoonten. Zij zijn aan voorou-
derlijke gewoonten en overleveringen steeds gehecht,
hoezeer minder dan die van het eigenlijke Ceram. Bij
de zoogenaamde Alfoeren is de zucht voor het koppe-
snellen niet geheel verdwenen; echter heeft deze ge-
woonte in de nabijheid der Europeanen opgehouden.
Zij waren vroeger ook menschenëters, en men be-
weert , dat nog somwijlen enkele aan den lust tot
menschenvleesch voldoen. Het schijnt, dat op de ei-
genlijke Uliasers zekere klei, of aarde, batoe - poewang
genoemd, vooral door de vrouwen wordt gegeten;
op Noessa- Laut is het meer bepaaldelijk eene soort
van zeepaarde, waarop de inlandsche vrouwen, zoo
men
(*) Reeds bekend bij, en beschreven door V alen tij n.
D. III, Stuk I, fel. 268. De Fransche Scheepsbevelhebber
D u m o n t d' U r v i 11 e ontving in 1828 van den Heer van
M O o r r e e s een paar dier zeldzame dieren ten geschenke.
Deze werden levend overgebragt, en te Parijs in den Plan-
tentuin geplaatst.