Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
273-
ten de Celebcschc-, of Boeton- Zee, in het noorden de
Zee van Obie, of die van Ceram, ten oosten de
Bandasche Zee en ten zuiden de Moluksche-, of Ban-
da-Zee.
§ 2. Uitgestrektheid en Bevolking. De eilanden,
welke hier bepaaldelijk in aanmerking komen, zijn:
Amboina en de drie Uliaser - Eilanden, welke ten
zuiden van Ceram, tusschen den Droogen Rijsthoek
en Hoek van Amahoy liggen, als : Amboina, Oma,
of Boewang - Bessie, Honimoa, of Saparoewa, en
Noessa-Laut, zijnde de eigenlijke Nagel - Eilanden ;
daarenboven, ten westen van Ceram, het groote Boe-
ro , met Amblauw, ten zuiden, en van daar, in het
noordoosten , Manipa, Kelang, Bonoa, of eigenlijk
Bo7ioa, en Boewang. Zij hebben eene oppervlakte van
360 vierkante mijlen, en eene bevolking van j 65000
zielen.
§ 3. Luchtgesteldheid. De rotsachtige grond maakt,
dat de lucht droog is en in geenen deele bezwan-
gerd met moerasdampen. De grond is voor het ove-
rige op de meeste eilanden hoog en bergachtig, het-
welk , gevoegd bij de regelmatige zeewinden, den damp-
kring veel minder heet maakt, dan de ligging nabij de
evennachtslijn zou doen vermoeden. Deze eilanden wor-
den meermalen door aardbevingen geteisterd, inzonder-
heid na zware regens, wanneer de lucht drukkend en
afmattend is.
§ 4. Voortbrengselen •
Boomen. De Amboinsche Eilanden hebben overvloed
van velerlei hout, dat tot allerlei nuttige einden kan
dienen. De bosschen der grootere eilanden zijn rijk aan
boomen van buitengewonen omvang en zwaarte; zoo
vindt men er ijzerhout en andere soorten van timmer-
hout; uitmuntend kastenmakershout, waaronder het Am-
boinsch wortelhout; zwart en wit ebbenhout; den
fraaijen kanarie, tamarinde en kasuarine, den goemoetie,
den kajapoet en de seree, welke beide eene olie tegen
rhumatische en kolijkpijnen opleveren; den broodboom,
sago-, kokos- en andere palmsoorten, en den nagel-
boom , die zoo welig groeit, gelijk mede de koffij,
welke, hoezeer in den aanvang &r iS^e eeuw als eene
zeldzaamheid ingevoerd, zich weldra zeer vermenigvul-
digde. De grond is mede geschikt voor indigo en ka-
neel.
S Di^