Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
2C4
heeft deze berg vrecsselijk gewoed, en hebben zijne uit-
barstingen het Land met rouw vervuld. De geweldigste
uitbarsting, waarvan de Geschiedenis melding maakt,
had plaats op den 2ost<^n \jei van het jaar 1673. De
menigvuldige gloeijende stoifen, welke de berg uitwierp,
vergezeld van aardschudding en waterberoering, kostten
aan duizende menschen het leven. De heete asch ver-
duisterde de lucht, en overtoog ook de naburige ei-
landen met een vaal bekleedsel. Menado en zelfs de
Sangier- Eilanden deelden meer of min in de ramp.
Ook zuidwaarts tot op Ceram hebben, naar men wil,
zich de aardbevingen doen gevoelen.
Voortbrengselen. Er is genoegzaam geen landbouw, en
hoe welig de groeikracht in het algemeen wezen moge,
zoo treft men er echter bijna niets aan, dan hetgene
de Natuur, zonder den minsten arbeid, den mensch
oplevert. Vele houtsoorten , voor scheepsbouw en kas-
tenmakerij dienstig , menigvuldige palmsoorten, waaron-
der kokos- en sagopalm , de Moluksche broodboom enz.
worden hier aangetroffen. Behalve wilde zwijnen, zijn er
herten, van wier vleesch dinding gemaakt wordt. De
bergen bevatten, zoo men zegt, goud en andere delf-
stoffen ; de kalkrotsen leveren vogelnestjes, en de zee
verschaft verscheidene soorten van smakelijke visch,
van tripang, karet en de gewone groote schildpad.
De bevolking langs de westkust van Gilolo geves-
tigd , behoort tot denzelfden stam als de Tematanen
en Tidorezen; ook zijn ze, als deze, meerendeels Mo-
hammedanen. De andere bewoners zijn Alfoeren en
Heidenen, die aan de Sultans van Ternate en Tidor
krijgslieden, alsmede scheepsvolk, leveren.
De voornaamste plaatsen zijn:
Bitsjolie, op de westkust, ter hoogte van Makjan.
Hier was het verblijf van den Assistent-Resident; doch
sedert eenige jaren is er geen Nederlandsch Ambte-
naar. Te dezer plaatse begon voorheen het gebied
van den Sultan van Tidor, wiens gezag zich van
Bitsjolie zuidwaarts en verder uitstrekte tot op de
oostkust aan Kaap Patanie.
Gilolo, een vlek, met een fort, door de Nederlanders
in den aanvang der i7<le eeuw gebouwd. Spoedig daarna
heeft men echter het fort laten vervallen, zoodat er naau-
welijks ecnige puinhoopen van zijn overgebleven. Deze
plaats ligt in het zuiden van de ruime Dodingo'baai.
Si-