Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
2C2
ten op. Komt men van het zuiden, zoo heeft meti-
twee ingangen; de eene is tussclicn Batjan en Maboe-
bie, de meer westelijke tusschen Mabocbie en Mandolie.
Hieromstreeks zijn verscheidene goede ankerplaatsen. Ver-
der onder Batjan is het Naauw of de Engte van Beroe,
door het eilandje Beroe gevormd, en in het noorden
der straat wederom eene engte, dewijl een rif rondom
Punt Leba, den noordhoek van Batj an, uitsteekt.
In het zuidoosten van het schiereiland Laboe, in het
hooge bergland, wordt een vrij uitgestrekt binnen-
meer gevonden,
In de 17de eeuw groeiden hier nagel- en muskaat-
boomen. Ook met den Sultan van Batjan werd een
Verdrag gesloten wegens het uitroeijen der specerijboo-
men, waarvoor hij een jaargeld ontving. Men heeft hier
sagobosschen, velerlei vruchten en leeftogt. Onder de
eilanders zijn goede zilversmeden, en de visscherij is
zeer overvloedig.
Het Christendom maakte aanvankelijk, vooral in het
zuidelijke schiereiland van Batj au, dat sedert i6op aan
Nederland behoort, veel opgang. Nog zijn de inge-
zetenen , die Laboeers geheeten worden, meerendeels
Christenen; de Lebaërs, bij voorkeur ook Batjanners
genoemd, zijn meest alle Heidenen.
De magt van den Sultan van Batjan was voorheen
vrij groot, en hij telde vele eilanden onder zijn gebied.
Thans is die magt merkelijk verminderd; doch hij is nog
steeds de derde in rang onder de inlandsche Vorsten,
en volgt op den Sultan van Tidor. Bij het aanvaarden
der regering begeerde de tegenwoordige Sultan slechts
den titel van Panghoeloe; eerst later nam hij dien van
Sultan aan, welken ook zijne voorouders gevoerd had-
den. Hij wordt geacht nog het bewind te voeren over
de westwaarts gelegene eilanden Tavalie, Maregolang
en de Latta-Eilanden, Onder deze zijn Tavalie en
Maregolang, na Batjan, de grootste, die ten westen
van Gilolo liggen. Hij is werkelijk bezitter van de
oostelijk gelegene eilandjes Dammer, waartoe, behalve
Dammer, ook IJssehnuiden, Meeuwensteen en Hasselt
behooren; maar de zuidwaarts gelegene eilanden Typa,
ïilagie. Groot' en Klein -Obie, of Oebie, zijn reeds in
de eeuw door zijne voorzaten aan Nederland
afgestaan.
De voornaamste plaats is:
Bar-