Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
252-
nieuwe bescliikking, aan de Vorsten en Grooten van
Ternate, Tidor, Batjan, Motier en Makjan jaargelden
toegelegd, welke sedert steeds door Nederland zijn be-
taald geworden.
Nadat, ten gevolge der vermeestering van de Moluk-
ken door de Engelschen, in 1796, door deze duizenden
jonge specerijboomen naar Benkoelen, Mauritius, Bour-
bon enz. werden overgebragt, waren Amboina en Ban-
da niet langer in het uitsluitend bezit der nagel- en
uuiskaatteelt. Het Hoofdbestuur op Java kwam daar-
door zelfs op het denkbeeld, om de Ternataansche
Eilanden geheel te verlaten. Dit gebeurde echter
niet; doch deze verspreiding der specerijteelt strekte
tot voorbereiding van een nieuw tijdvak. In 1824 brak
dat tijdvak aan. De Gouverneur-Generaal van der
Capellen gaf, op den 27sten Mei, 1824, xt Ter-
nate bevel, dat de uitroeijing der specerijboomen voort-
aan niet meer zou plaats hebben; dat het aankweeken
een' ieder zou vrijstaan; doch dat aan het Gouverne-
ment moesten geleverd worden , de nagelen tot 50c, de
foelie tot 6oc, en de noten tot 40c het oude pond ,
welke prijs aan de eigenaren zou worden betaald;
terwijl de Sultans van Ternate en Tidor, met hunne
Rijksgrooten, lo ten honderd van de in dier voege
bepaalde prijzen zouden trekken, ten einde ook hen
in de uitbreiding der kuituur te doen belang stellen. —
In weêrwil van die verordening duurt nogtans de uit-
keering der jaargelden, of subsidiën, op den ouden voet
voort. De specerijteelt heeft alleen nog eenig leven
op Almaheira, doch nergens elders. De landbouw is
almede achterlijk, en de benoodigde rijst wordt van Me-
nado getrokken. Op Tidor heerscht wel de meeste
bedrijvigheid in landbouw en weverij. Behalve aldaar,
is er weinig weverij. Katoen, in het garen geverwd,
ten deele van Java aangebragt, wordt tot kleedjes
verwerkt. Tabak wordt aangekweekt, tot kleine rol-
letjes gesponnen en uitgevoerd, evenwel minder dan
in de iB'lc eeuw, toen daarvan meer naar Java gvag.
Op Marhee vervaardigt men gemeen aardewerk. Van
herten- en buffelvleesch maakt men, ook tot uitvoer,
dinding. De visscherij is zeer overvloedig, en er wordt
ook visch gezouten en gedroogd.
§ II. Kapen, De voornaamste zijn: de Rotsige
punt in het zuidwesten van Groot-Obie, Punt Laboe
in