Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
2Ö0
houten schild voorzien zijn. — Zij bezigen bij de betel
gewoonlijk de vrucht van de sirie, terwijl daarentegen
het blad op Java gebruikt wordt. — Het doen groeijen
van een' nagel, dat aireede bij de Makassaarsche Vor-
stinnen is opgemerkt, schijnt hier meer algemeen te zijn,
doch zich tot den pink der linkerhand te bepalen.
S 7. Godsdienst. Deze is op de eilanden, ten wes-
ten van Gilolo gelegen, hoofdzakelijk de Mohamme-
daansche. Op Mortaai, Gilolo, Obie enz. bestaat de
meerderheid der bevolking uit Heidenen.
Reeds in de eerste jaren der 1711^ eeuw trachtten de
Nederlanders op deze eilanden het Christendom in te
voeren, en hadden er omstreeks 1612 twee Predikanten.
Ten einde den ijver dier Leeraars aan te moedigen,
verleende de Oostindische Maatschappij hun eene bui-
tengewone toelage, onder den naam van Discipelgeld,
bij het bekeeren en doopen van Mohammedanen of
Heidenen. Het getal Christenen nam spoedig toe op
Motier, op Makjan, op Batjan en op Obie, doch min-
der op Ternate en Tidor ; sedert het midden der iR^e
eeuw schijnt evenwel dat getal merkelijk te zijn afgeno-
men bij gebrek aan behoorlijk godsdienstig en schoolon-
derwijs. De onvermoeide en verdienstelijke Predikant
Kam, vóór weinige jaren overleden, heeft, gedurende
zijne bijna twintigjarige dienstbetrekking in het Gou-
vernèment der Molukken , zijnen ijver ook tot de Ter-
nataansche Eilanden uitgestrekt.
5 8. Kunsten en Wetenschappen. De Vorsten en
Grooten zijn wellevend en sierlijk in hunne taal en
uitdrukkingen; ook zijn letteren en wetenschappen hun
niet vreemd. Kunstvaardigheid, vooral in de weverij
en den scheepsbouw, valt den landzaat niet te ont-
zeggen ; men meent echter, dat de uitroeijing der
specerijboomen op den geest des volks ongunstig heeft
gewerkt, en dat traagheid en lusteloosheid daarvan de
gevolgen zijn.
§ 9. Taal. Deze is met het Howamohelsch ver-
want. Op Ternate, Tidor en de nabijgelegene kleine
eilanden heerscht een taaleigen, dat zeer vloeijend en
smeltend is, en, in beide opzigten, dat van verschei-
dene andere Oostersche talen moet overtreffen. Op
Gilolo en de daaromtrent gelegene eilanden wijkt de
taal van het Ternataansch af. Men heeft echter ten
aanzien van het eene, evenmin als van het andere,
be-
i