Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
'2i9
hagedis, de groote vleörmuis, ooit wel vliegende kat
en vliegende hond of vampier genoemd; de laatste,
die, met uitgespreide vliegvliezen, zes voet vlugt heeft,
zuigt, naar men wil, op eene onmerkbare wijze den
slapenden mensch veel bloeds af, terwijl hij met de
vliezen denzelven verkoeling toewaait. Niet weinigen
echter hcudeu dit voor sprookjes. Zeker is het, dat
die vleermuizen aan de vruchtboomen groote scha-
de doen; zij worden vooral bij maanlicht geschoten,
en verschaffen aan vele liefhebbers een smakelijk ge-
regt ; — voorts de kazuaris , de paauw , de wa-
terpaauw , de j aar vogel, met een' zwaren, grooten,
krommen bek, waarop even zooveel kerven of kringen
komen, als de vogel jaren oud is; — de paradijsvogel,
in de Molukken ook Godenvogel genoemd, is hier zeld-
zaam, doch wordt in groot aantal van de Papoesche
Eilanden aangebragt; — de walvisch, de zwaardvisch,
de dolfijn, haaijen, soms ter lengte van 18 voeten; -—
zeer groote polypen, of veelvoeten , en in het algemeen
eene onbegrijpelijk groote verscheidenheid en overvloed
van eetbare vischsoorten.
§ 5. Inwoners. Ueze zijn goedaardig, gehecht aan
hunne Vorsten, en evenmin verraderlijk als oproerig.
De Tidorezen zijn, zegt men, meer wispelturig en min
onderworpen aan hunne Opperhoofden dan de overige
eilanders. Ook bij de Vorsten en Grooten heerschen
minder ondeugden dan wel elders in den Archipel. De
bewoners van sommige eilanden , of enkel van de bin-
nenlanden , inzonderheid de bevolking van Almaheira
en de daaronder behoorende kleinere eilanden ten noorden
en ten oosten, worden Alfoeren genoemd. Zij gaan
bijna naakt, zijn zeer eenvoudig van zeden, en worden
geprezen als goedhartig, eerlijk, opregt en gastvrij.
De traagheid schijnt bij hen minder eene tweede natuur
te zijn dan bij de andere eilanders.
§ 6. Zeden en Gewoonten. Verminkingen, inzon-
derheid het afkappen eener hand, schijnen voormaals on-
der de gewone straffen te hebben behoord; thans zijn
alle wreede straffen verboden. — VVanneer het Neder-
landsche Gouvernement hulptroepen van den Sultan van
Ternate of Tidor noodig heeft, worden daartoe veelal
Alfoeren geleverd, niet enkel als roeijers op de kor-
rakorras, maar ook als strijders, die van pijl en boog ,
of werppijlen, een taniboeksch zwaard en een groot
Q 5 hou-