Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
241-
den der geslotene overeenkomsten overhaalden. In weör-
wil van dit alles gelukte het den Nederlanders, zich op
de drie grootste der Moluksche Eilanden meer en meer
te vestigen en uit te breiden. Deze uitbreiding werd
zelfs door het belang gevorderd, dewijl de eilanden
ten oosten en zuiden van Ceram en Banda zeer
geschikt zijn tot het aankweeken van den muskaatboom.
Dus moest de waakzaamheid zich eerlang uitstrekken
tot de Goramsche- en Papoesche Eilanden, tot de groe-
pen Key- , Aroe-, en Timor - Laut, en van daar tot
in de nabijheid van Groot-Timor.
Na het sluiten van den Vrede te Munster , in 1648 ,
werden de beide partijen, ook in den Indischen Archi-
pel, voordat nog de Nederlanders de Spanjaarden uit
de eigenlijke Molukken geheel hadden kunnen verdrij-
ven, tot rust verpligt. Op Ternate en op Tidor be-
zaten de laatste nog sterkten, en dien ten gevolge viel
het des te moeijelijker, niet alleen den handel der
Spanjaarden, maar ook den smokkelhandel der Engel-
schen en Franschen te beletten. De haat van den in-
lander tegen de Spanjaarden kwam echter den Gouver-
neur-Generaal Reiniersz zeer te stade bij den eeni-
gen maatregel, welke hem overschoot. Die maatregel
was, dat hij in den aanvang van 1652 een Verdrag
sloot met den Maharadja van Ternate, bij hetwelk deze
aannam , de specerijboomen te doen schillen of uitroeijen ,
waarvoor aan den Vorst en aan zijne Rijksgrooten
jaargelden werden toegelegd. Langzamerhand werd dit
zelfde stelsel op de andere Ternataansche Eilanden
onder toelage van jaargelden ingevoerd. De uitroeijing
had plaats, niet door de Nederlanders , maar door de
inlanders, en de specerijoogst verdween voor de Span-
jaarden geheel. Toen nu alle voordeelen voor hen
ophielden, verlieten zij, in 1663, hunne sterkten op
Ternate tï\ Tidor, die, niet lang daarna, vernield wer-
den. Het oogmerk der Nederlanders was bereikt, en
men kon zich in het volledig bezit der Molukken
verheugen.
Het eenmaal aangenomen stelsel bleef nogtans stand
houden; de nagelteelt werd tot de Amboinsche Eilan-
den bepaald, en het planten van den muskaatboom tot
dc eigenlijk Bandasche Eilanden beperkt. Overal
elders werd het kweeken van specerijboomen verboden.
Hier en daar trachtte men de uitroeijing ter gunste van
Q den