Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
222-
reikt. Hier stort zij te midden eener rotsbedding ne-
der, spat, al ziedende en bruisende, omhoog, en werpt
een* digten stofregen van zich af.
Niet ver van Bonthain, ziet men, in het gebergte,
nabij het dorp Sapoe, een' waterval, waarvan het ge-
druisch op aanmerkelijken afstand zich laat hooren. In
éénen straal stort het water, ter hoogte van ruim 500
voeten, genoegzaam loodregt in eenen waterkom van
peillooze diepte neder.
Tusschen het gebergte van Batoe - Moerong en Straat
Makasser is, op nagenoeg 6 of 7 mijlen afstands van
de zee, een zoutmeer van ongeveer 100 voeten mid-
dellijns, waarin men op tien vademen diepte nog geen'
grond heeft gevonden. Dit meer staat denkelijk in ge-
meenschap met de zee, want het bevat veel zeevisch,
die echter niet gevangen wordt, daar dezelve door de
inlandsche bevolking voor heilig wordt gehouden.
Niet ver van hetzelfde gebergte ontmoet men eene
hooggewelfde, duistere grot, waarin eene menigte gan-
gen eene soort van doolhof maken. De indruk in
deze grot is huiveringwekkend, zoo door de verschil-
lende fantastische figuren van druipsteen, als door het
gesis van het kruipend gedierte en het akelig geluid
en gefladder der vleêrmuizen, die er gevonden worden.
Men gelooft, dat in die grot, door de inlanders, aan
satan of andere booze geesten geofferd wordt.
De water beroering, welke den apsten December,
1820, te Boelekomba werd waargenomen, was een
allerontzettendst Natuurverschijnsel. Eene plotselinge
aardbeving werd opgevolgd door een geknal en ge-
bulder , alsof er op zee zwaar geschoten werd, en
ontzettende donderslagen, van uit de hoogte, zich met
den donder van het geschut vermengden. De oceaan be-
gon te koken en te bruisen, rees eensklaps op, steeg,
met onbegrijpelijke snelheid, ter hoogte van 60, ja 80
voet, en verspreidde zich, met onafzienbare vaart, over
het land, als had er eene geheele omkeering der Natuur
plaats, waardoor alles omvergerukt, en alles verzwolgen
werd. Weldra echter keerden de wateren der zee met
gelijke snelheid in de diepte harer bedding terug, na,
tot op eenen afstand van omstreeks 500 voeten van den
oever, derzelver verwoestingen te hebben uitgestrekt.
Boomen, huizen, menschen en dieren werden in deze
vaart, die geene hinderpalen kende, medegesleept, en
wa-