Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
221-
Luchtgtsteldheid, Bergen en Voortbrengselen. Zie
het boven gezegde.
Kivieren en andere wateren. Onder de vele wate-
ren , welke in het gedeelte van Celebes, dat tot het
Gouvernement van Makasser behoort, voorkomen , ver-
dienen vooral opmerking het meer Taparang en dat van
Maros.
Het meer Taparang wordt verdeeld in Taparang-Poe-
reit, of het Kleine, en Taparang-Labadja, of het
Groote, die door eene engte, of misschien doprgraving,
met elkander vereenigd zijn. Het groote is meestendeels
in het gebied van Wadjoe, het kleine in dat van Si-
denring gelegen. Men rekent den geheelen omtrek op
i6 tot 20 mqlen, en de diepte op nagenoeg 30 voeten.
Een gedeelte der lage oevers wordt, in den droogen
tijd, met jagong beplant, die er zeer welig tiert. Het
meer is vischrijk, en de kleine eilandjes, die over de
oppervlakte verspreid liggen, strekken tot schuilplaats
aan welsmakende eenden en andere watervogels. De
Wadjoresche Vorst van den Staat Tempe heft eene be-
lasting op de visscherij enz. in het meer Taparang.
Labadja.
Het meer van Maros, of van Batoe-Moerong, sluit
drie eilandjes in zich, is niet groot van omvang,
maar zeer hoog gelegen, en omringd door een steil kalk-
gebergte, waarvan de beklimming, van wege het losse
en brokkelige van den kalksteen, tot nog toe onmoge-
lijk geacht is. Aangezien dit meer in de rivier van Ma-
ros veel water ontlast, zonder ergens op eene zigtbare
wijze toevoer te ontvangen, zoo is het waarschijnlijk,
dat het door wellen op den bodem van het meer gevoed
wordt. Van de zijde van Maros nadert men het meer
ter plaatse, waar, in eene grot van druipsteen, het
water zich verliest; het komt vervolgens weder te
voorschijn in eene andere grot, waarvan het gewelf
ongeveer 50 voet hoog is , en stort, te midden dier
grot, in een' afgrond neder. Lager ziet men het water
weder, terwijl het als eene beek voortstroomt, totdat
het een' kleinen waterval vormt, die weldra door een'
grooteren van 25 voet breedte gevolgd wordt. Deze
aanzienlijke watermassa stuit hier en daar op vooruit-
stekende rotsbrokken, en verkrijgt daardoor, in haren
val, eene groote verscheidenheid van bogten en schake-
ring van kleuren , eer zij eene diepte van 80 voet be-
reikt.