Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
226-
§ 14. Bitmemvateren. Het eiland wordt van vele
rivieren en beken doorsneden; doch daar de breedte
van het bekende gedeelte slechts 30 mijlen en minder
bedraagt, zijn er hier geene rivieren, die, door het
opnemen van andere wateren, tot belangrijke stroomen
aangroeijen. Daarenboven ontmoet de vaart op onder-
scheidene rivieren beletselen door klippen of watervallen,
welke laatste vooral veelvuldig zijn. De aanzienlijkste
rivier is, naar men zegt, de Tjinram (*), die zich in
het noorden van Baai Boni ontlast en hoogop bevaar-
baar is. De Sadang ontspringt uit het gebergte Timod^
jong, komt in haren loop omstreeks het meer Taparang,
en stort zich in de Parapara-baai. Het zou derhalve,
naar het schijnt, een gering bezwaar opleveren, om,
door middel eener doorgraving, langs de rivieren Tjin-
rana en Sadang, eene gemeenschap tusschen Straat
Makasser en Baai Boni te openen.
Te midden van het gebergte heeft men een aantal me-
ren , die, door de naburige bergen gevoed, onderschei-
dene rivieren doen ontstaan. Onder dezelve noemt
men dat van Limbotto in het noorden, en inzonderheid
het veel grootere meer Taparang, waaruit de Tjinrana
voortkomt, welk meer 'm Taparang-Labadja, of Groot-
Taparang, en in Klein (Poereit^-Taparang verdeeld
wordt. Nog andere meren zijn er, waarvan de lig-
ging zoo hoog, of de oever derwijze zamengesteld
is, dat men niet weet, van waar zij de voedende stroo-
men ontvangen; hetgene te meer bevreemdt, daar zij
bestendig veel water door de afvoerende rivieren verlie-
zen. Onder deze zijn opmerkelijk het meer Tondano,
of Kakas, in het gebied van Menado, en het meer Ba-
toe - Moerong, in het gebied van Maros. Daarenboven
vindt men enkele zoute meren, die denkelijk eene on-
deraardsche gemeenschap met de zee hebben.
§ 15. Bergen. Naar gelang van de rigting der
schiereilanden , is het eiland van bergketens als door-
sneden , welke uit het midden langzaam rijzen, en
zich voorts versmallen en verhoogen ; terwijl zij hier en
daar eene dubbele keten vormen, die zich later weder
vereenigt, en als zoodanig afgescheiden voortgaat, om
in
(♦) De mond der Tjinrana is op de Kaarten ruim 1° te
noordelijk gesteld.