Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
223-
aangetroffen j ook zijn de IMakassaarsclie paarden op Ja-
va geaclit, en worden dezelve tevens uitgevoerd naar
Bengalen en China. Het goudgraven geschiedt grooten-
deels in het noorder-schiereiland, en wel op eene zeer
eenvoudige wijze. Hebben de wigchelaars tijd en plaats
goedgekeurd, zoo gaat men aan het graven, totdat men
de goud houdende aarde gevonden heeft; deze wordt
alsdan zoo lang in bakken met water gewasschen en
geroerd, totdat de goudstof alleen overblijft. De Ma-
kassaren en Boeginezen houden zich tevens veel bezig
met katoenweverij; zq ontvangen daartoe het katoen
van Balie en elders. Ook in de huizen der Grooten
houden zich de slavinnen onledig met het weven van
katoenen kleedjes en met het opleggen der kleuren;
zelft de Vorstinnen vervaardigen zoodanige kleedjes. Te
voren waren die kleedjes veel op Java, en thans
nog vrij sterk in het westen van Indiè, getrokken, hoe-
zeer een dergelijk kleedje, of japon en rok, soms tot
ƒ 300 kost. Fijne katoenen kousen, waarvan de boor-
den en klinken bij uitstek fraai bewerkt worden, zijn,
als Makassaarsche kousen, zeer vermaard, en kosten
tot 8, 12 Gulden en meer het paar. Er zijn mede
weverijen van zijden stoffen, waartoe de ruwe zijde
uit China komt.
Scheepsbouw, handel en visscherij houden insgelijks
velen bezig. De Wadjorezen en Boniërs zijn vlijtige
handelaars, en hij, die soms als matroos met eene zeer
beperkte ruimte in de padoewakan , waarop hij dienst
doet, begint, eindigt veelal met een rijk of althans wel-
gesteld koopman te worden, want eerlqkheid, goede
trouw en zuinigheid mag men als karaktertrekken bij
deze menschen beschouwen. Tot meerdere veiligheid
vestigen velen zich buiten 's lands. De vangst van ver-
sche visch nabij de kusten (die ook gedroogd en inge-
maakt verkocht wordt), van agar-agar, karet en tripang,
is het bedrijf der meeste Toeridjeniks. Ter tripangvangst
gaan zij tot zelfs naar de kust van Nieuw-Guinea en
naar de Golf van Carpentaria, met sterk gebouwde
vaartuigen van ongeveer 30 ton, welker zeilen vervaar-
digd zijn van boombast of zekere soort van riet; de
ankers zijn van hout, en het touwwerk van zamenge-
draaid rottan, in het geheel een vrij onkostbaar zamenstel.
Deze vaartuigen hebben doorgaans twaalf man aan boord,
en komen, na eene afwezigheid van eenige maanden,
O 4 met