Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
210-
eilanden, waardoor de noord- en westkust gevormd
worden, maken in het noordwesten een' hoek, de Ri-
vierkaap, of Rivierskaap genaamd. Wanneer men van
die kaap zuidwaarts gaat, ziet men het land aan de
oostzijde, ten zuiden der Goenong-Tellobaai, zich
verbreeden, waardoor twee andere schiereilanden ont-
staan , van welke het eene oostnoordoost loopt, en
het andere zich weldra zuidwaarts wendt, zoodat er,
behalve de Goenong-Tellobaai, oi-golf, nog twee
groote baaijen of bogten gevormd worden. — De uitge-
strektheid bedraagt, naar men meent, 5400 vierkante
mijlen, en de bevolking, hoewel door sommigen hoo-
ger geschat dan die van Java, niet meer dan 5000000
zielen, waarvan tegenwoordig naauwelijks de helft het
Nederlandsche Gezag erkent, dewijl men niet overal,
waar daartoe regt bestond, zich heeft doen gelden.
§ 3. Luchtgesteldheid. Daar het eiland nergens eene
aanmerkelijke breedte heeft, gevoelt men den invloed
der zeewinden overal, terwijl ook de landwinden van de
bergketenen en bergvlakten weinig warmte aanbrengen.
De hitte is derhalve, hoezeer het eiland ten deele
onder de linie gelegen is, niet bijzonder groot. Het
is hier over het geheel zeer gezond; enkele plaatsen
maken hierop eenige uitzondering, inzonderheid de lage
landen bij de drie groote baaijen aan de oostzijde van
het eiland, die uit aangeslibden grond bestaan.
De van het noorden naar het zuiden doorloopende
bergketen strekt tot scheiding der jaargetijden. Wan-
neer men aan de oostzijde van dat gebergte te midden
der drooge mousson is, heeft men aan de westzijde
de natte. Op die wijze wisselen de jaargetijden op de
west- en op de oostkust elkander geregeld af.
§ 4. Voortbrengselen:
a. Boomen en Planten. Velerlei fraai en deugdzaam
timmerhout, ook ceder-, ebben-, sapan- en sandel-
hout , benzoin , koffij, katoen, goemoetie, sago- en
arengpalm, rottan, rijst, jagong, tabak en suiker-
riet.
b. Dieren. Geene tijgers, olifanten , of andere vier-
voetige dieren; daarentegen de babi-roussa, of het
hert zwijn, van wege de overeenkomst met beide,
doch ook wel hoornzwijn genoemd, daar het twee
horentjes heeft, ongeveer als de neushoorn; de sapi -
outang, die eenige overeenkomst heeft, ook in grootte,
met