Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
204-
Amontay, acht mijlen hooger dan Nagara, mede
aan de rivier Marabahan gelegen. Deze plaats strekt
tot verblijf van den Sultan van Amontay, is zeer
welvarend en telt 8000 inwoners.
De landstreek is vruchtbaar; men vindt er rqstbouvv
en veel klapperboomen. Van de hooger liggende stre-
ken worden rijst, katoen, was en vogelnestjes aange-
voerd. Hieromstreeks houdt men zich bezig met het
graven van goud, maar vooral van eene soort van
edelgesteente, Batoe- Marabahan genoemd, waarvan
men ringen en andere sieraden vervaardigt. In de rivier
worden soms topazen en smaragden gevonden.
Tabenio, of Tabenjon, of ook Tabanio, een fort,
van steen gebouwd en met vier bastions voorzien. Het
ligt aan zee, ten westen van Kaap Selatan, aan den
mond der niet breede, maar diepe rivier Tabenio. Hier
werd voorheen, langs de Molukko, uit het landschap
Poelo-Lampe en uit Kramiang, de koffij en peper
afgevoerd. Het omliggende land staat veelal onder; er
is dus weinig versch water, en de putten in het fort
voorzien slechts gebrekkig in de behoefte. De Neder-
landsche schepen, welke van Batavia komen, werpen
gewoonlijk eerst het anker voor Tabenio.
Hoezeer op de zuidkust weinig Chinezen zijn, vindt
men er echter aan de rivier Tabenio, die aldaar in
de goudmijnen zich met de goudwassching bezig hou-
den.
Toen in deze streken de zeerooverij, vooral om-
streeks de zuid- en oostkust van Borneo, merkelijk
toenam, en een aantal zeeroovers zich aan de rivier
Monomong en aan de bogt van Laut-Poelo genesteld
had, onder welke Adjie Java te Tjantoon, in de
bogt van Kloempang, zich het meest had geducht ge-
maakt, werd, in 1835, onder den Luitenant ter Zee
Schuier, eene gewapende magt naar Borneo gezon-
den. Op dien togt langs de kusten, tot opsporing der
roofnesten, ging de brik Dourga op eene blinde klip
verloren; zoodat toen de scheepsmagt slechts uit twee
schoeners en eenige kruisbooten bestond. Evenwel
slaagden de Nederlanders volkomen in het uitroeijen
der roofnesten en het verjagen der zeeroovers. Omtrent
200 menschen werden uit slavernij verlost; meer dan
60 praauwen buit gemaakt of vernield, en eenige me-
talen stukken en lilas bemagtigd.
Oud-