Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
201-
nemen ook wel de vrouwen deel, ten einde dc in-
gejaagde herten te strikken.
Diamantgroeven worden gevonden omstreeks het ge-
bergte en Pamattang, waar goud, als
schilfers, roet platina en magneetijzer in dezelfde gron-
den voorkomt. De voornaamste diamantmijnen zijn te
Goenong - Lawak , Oedjong- Moerong, omstreeks de Mo-
lukko enz. Men graaft hier kuilen, doch, naar het
schijnt, zelden dieper dan omstreeks 14 voeten. De
aarde en het water worden met emmers uit de groeven
geschept en vervolgens weggeworpen, totdat men het
diamant houdende zand vindt. Met zekerste kenmerk
hiervan is het vinden van zekeren loodkieurigen steen,
door de inlanders soedara - intan (broeder van den dia-
mant) genoemd. Het zand wordt in bamboezen mand-
jes gevvasschen, waarna de overblijvende steenen zorg-
vuldig onderzocht worden. Met slechts geringe afwij-
king houden zich de inlanders gewoonlijk aan eene
dergelijke bewerking: meestal graven zij op zekere af-
standen een' put, maar vervolgen niet geregeld de bed-
ding. Zij behandelen nagenoeg even zoo de goudmijnen;
doch de Chinezen verstaan de kunst der bewerking beter
en vervolgen de mijn, zoo als in de rijke goudmijnen
in het stroomgebied der Tabenio, in de naWjheid van
het gebergte Ratoe. Ook in die mijnen vindt men
platina, ijzersteen en magneetijzer. Ijzererts of ijzersteen
komt niet zelden in de rivierbeddingen voor in klompen,
soms ter zwaarte van honderd pond. Deze steenen wor-
den bij laag water uit de rivier gehaald, en leveren een
vijfde aan ijzer. Dit ijzer wordt meestal bewerkt tot
korte, plat - vierkante staven , pampajat genoemd , die
ieder ongeveer een Nederlandsch poiid wegen.
De bewerking van de goud- en diamantmijnen is,
tegen betaling van zekere regten, in deze Residentie
vrij ; onder gelijke bepaling is ook vrijgesteld de
koffij-, peper- en rijstbouw. In de Vorstenlanden ech-
ter moeten de inwoners de mijnen, die den Sultan,
of den Grooten behooren, voor niet bearbeiden. Ten
einde te beter de deur voor willekeur en wreedheid
te sluiten, heeft men des Sultans inkomsten vermeer-
derd, doch zijne magt verminderd. De talian en in
het algemeen alle straf van verminking is, waar het
Nederlandsch Gezag geldt, afgeschaft; moord wordt
niet langer straffeloos gepleegd, en eens ieders ei-
' N 5 gen-