Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
199-
sing, of Banjermaas, volgens anderen Baritlo, neeinl
baren oorsprong uit het_ groote gebergte in het noord-
westelijk gedeelte des eilands, dus geenszins uit het
groote meer of de groote binnenzee Kinie- Baloe, welke
ten noorden van dat gebergte moet gelegen zijn. De ge-
heele uitgestrektheid van haren loop is tot nog toe on-
bekend; doch, na verschillende rivieren in hare bedding
te hebben opgenomen, zwelt zij aan tot een' stroom,
door enkelen met de Mississippi gelijkgesteld. Hier
vormt die stroom uitgestrekte watervlakten, zoodat
het oog de beide oevers niet kan overzien; daar weder
omarmt hij eilanden, die met prachtig boomgewas
prijken. In ontzaggelijke watervallen stort hij neder, of
stuwt zijne wateren, tusschen rotsen beklemd, tot ber-
gen op, en schiet al schuimende aan de andere zijde
dier beletselen als snelstroom (riani) in de vlakte
door. In de laatste 75 mijlen naar het zuiden, loopt
hij door een vlak land, verspreidt zich over de lage
oeverlanden , en vormt groote moerassen , zoodat, al-
hoewel de Marabahan, de Karrouw , de Negora , de
Kapoeas enz. zich met de Banjermassing vereenigen,
deze echter zoo weinig stroom heeft, dat de zee bij
vloedtijden weieens tot 30 mijlen ver in de rivier merk-
baar is. De delta van den grooten stroom , of wa-
terstam, zoo als men te Banjermassing zegt, wordt
gevormd door de Groote Dajak meest westelijk, door
de Kleine Dajak , of Beadjou , in het midden , en
door de Baritto meest oostelijk, welke laatste bij de
monding eene halve mijl breed is. Ten westen van de
Groote Dajak is het stroomgebied van de Mandawee,
welke zich in de baai van Mandawee verliest, en ,
naar men zegt, eene groote lengte heeft; nog verder
is de Limandoe, die, in het midden des eilands, uit
het gebergte Raya ontspringt, en zich in de Kotta-
Ringen op de zuidkust ontlast, waar zij aan haren
mond de eilandjes Semoetra en Setruwan omspoelt.
Groote vaartuigen, welke de rivier willen opvaren,
moeten den meest westelijken tak kiezen. Men meent,
dat men, die rivier, langs andere rivieren en sprui-
ten , tot aan het hooge land van Talamba volgende,
na eene halve dagreize, ovei land, nederwaarts langs
de westwaarts afstroomende rivieren, Pontianak zou
kunnen bereiken. Ten oosten van den grooten stroom
heeft men de Molukko, en voorts de Tabenio, welke
N 4 nog