Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
206-
en daar door rotsen vernaauvvd, bezwaren ondervindt.
Schepen, i6 tot i8 voeten diep gaande, kunnen, bij
hoog water , over de bank komen en tot voor de
stad opzeilen. In het fort beneden de stad, aan de
rivier, heeft de Assistent-Resident zijn verblijf; de
dalem van den Sultan ligt iets hooger. Uit zee nade-
rende, heeft men een verkenningsteeken aan den berg
Pamangkat, bij het inkomen der rivier.
De haven van Sambas is, ten einde den handel zoo
mogelijk uitbreiding te verschaffen, opengesteld, en,
sedert i Januarij , 1834, zijn ook hier vreemde schepen
van alle in- en uitgaande regten vrij.
Hier is veel goud; ook de hoofdrivieren leveren stof-
goud en diamanten. Men vindt er eenige soorten van
gom, hars en antimonium. De landbouw is van weinig
beteekenis.
Dc Residentie de zuid- en oostkust van
borneo of banjer massing.
Grenzen en Grootte. De ligging van deze Residentie
wordt weder door den naam aangeduid; zij strekt
zich echter ook noordwaarts uit, en heeft dan het Land
der Riagas, of Klein - Dajak , ten noorden , Kootie en
Passier ten oosten, ten westen minder bekend Land
en ten zuiden de Javasche Zee; men rekent er 10000
inwoners.
Luchtgesteldheid. Door de moerassige gronden onge-
zond.
Eergen. Langs de zuidkust ontmoet men, vooral
ten westen der Banjcrmassing, tot diep landwaarts
in, alluvialen of aangeslibden grond. Ten oosten van
die stroombeddingen is de bodem heuvelachtig; hij
wordt weldra bergachtig, en vertoont in het verschiet
steeds hooger rijzend gebergte. Het gebergte Bandar-
Baloe, of Bandjar - Baloe, en Pamattang rijst ter hoog-
te van 1 ooo voet boven den zeespiegel, en bestaat uit
dioriet, serpentijn, ook siniet, kv^arts enz.; het ge-
bergte Sanoembang verheft zich tot 3500, en het
gebergte Kahoemong tot 3700 voet. Dat, waardoor
het schiereiland Tana - Laut wordt ingesloten , is nog
hooger, en bevat de bronnen van vele grootere en
kleinere rivieren.
Rivieren en andere vateren. De rivier Banjermas-
sing.