Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1Ü5
rottan , was , vogelnestjes en karet, diamanten , goud
enz.; de binnenlanden bevatten, in verscheidene distric-
ten, rijke goudmijnen, die door Chinesche maatschap-
pijen bewerkt worden. — De Boeginezen vervaardigen
katoenen cn zijden stoffen; de Chinezen houden veel
varkens; ook is er veel riviervisch.
Ten einde den handel aan te moedigen, zijn zelfs
vreemde schepen, sedert i Januarij, 1834, van alle
in- en uitgaande regten vrijgesteld.
De voornaamste mijnen der westkust worden gevon-
den in de landschappen Selakou, Tayang, of Tayong,
Montradi,, Sangoei, of Sangouw, Mandor en Doe^
rie, of Docrio. De Chinesche mijnwerkers, in
maatschappijen en onder Hoofden vereenigd, bewerken
de mijnen voor eigene rekening; zij leven bijna onaf-
hankelijk in hunne dorpen, waar de gehuwden af-
zonderlijke kleine woningen hebben, en de ongehuwden
bij elkander wonen. Deze staan aldaar onder het toe-
zigt der Opperhoofden, en worden door deze gevoed.
Dewijl de mijnwerkers zout en andere benoodigdheden
van de kust krijgen, onderhouden zij betrekking met
de daar wonende Chinezen, en deze zijn, op hunne
beurt, .met het gezamenlijke Vaderland in aanraking,
waarheen, door middel der af en aan varende jonken,
of wankangs , jaarlijks een gedeelte der winsten wordt
overgemaakt.
In Landak, Sangoei en Sukkadana, thans Nieuw -
Brussel, heeft men de beste diamanten, bovenal in het
Landaksche. De bewerking der mijnen geschiedt door
de Borneoten, en de opbrengst is gering. Men wil, dat
de in 1829 verdreven Sultan van Mattam in het bezit
was van een' ruwen diamant van eironde gedaante,
waarvoor hem ƒ360000 en twee uitgeruste oorlogs-
brikken te vergeefs zouden zijn geboden. Ingevalle de
steen bij het slijpen geheel zuiver van water werd
bevonden, zou, naar men zegt, de Mattamsche dia-
mant derdehalf millioen Guldens waard zijn.
Verdeeling. Zie Grenzen en Grootte; voorts zijn
er nog vele kleinere deelen.
De voornaamste Landen en plaatsen:
Van het Rijk Pontianak, in 1770 gesticht, bestaat
eigenlijk niet meer dan de delta. Het heeft een' moeras-
sigen bodem , veelal • met water bedekt , zoodat de ge-
meenschap gewoonlijk met vaartuigen plaats heeft. Daar
N de-

■i.t