Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
men wil, dat vooral de Boeginezen op zee zich nimmer
aan hunnen bestrijder overgeven.
Molukkanen zijn eigenlijk de bewoners der Ter nat aa fi-
sche en Amboinsche Eilanden, omdat de bevolking der
eigenlijke gezegde Bandasche Eilanden, behalve de sla-
ven , uit afstammelingen van Europeërs bestaat. De
vroegere rusteloosheid der Moluksche volkeren is bij
de Uliasers minder uitgedoofd dan bij de Ternatanen,
en heeft zich, zelfs in latere tijden , door velerlei op-
standen doen kennen. Voor het overige wil men, dat
bij de bewoners der Ternataansche en der Amboinsche
Eilanden de maatregelen , in en sedert het midden der
17de eeuw omtrent de teelt der specerijen in werking
gebragt, doch sedert aanmerkelijk gewijzigd, krachtdadig
hebben gewerkt, om traagheid en lusteloosheid, zoo-
wel in handel als in landbouw, voort te brengen.
De Cerammers, bepaaldelijk die het meer oos-
telijke des eilands en de ten oosten gelegene eilan-
den bewonen, zijn van de Molukkanen wezenlijk onder-
scheiden. Zij zijn koppesnellers, even als de Borneoten ,
doch staan in geenen deele op een' zoo lagen trap van
beschaving; zij zijn krijgshaftiger en meer bedreven in
scheepvaart.
Onder Alfoeren, hoe oneigen de benaming met der daad
wezen moge, begrijpt men die bevolking der oostelijke
eilanden van den Archipel, welke, hetzij door Maleijers
of door Celebezen, van de kusten verdrongen , zich naar
de binnenlanden hebben teruggetrokken , en zich slechts
weinig met den landbouw bezig houden. Voor het ove-
rige staan zij vrij laag, wat beschaving aangaat, en zijn
onbedreven in kunsten of handwerken; zij bewijzen,
uit dien hoofde, ontzag en onderworpenheid aan die
volkstammen, vVelke zich op hunne kusten hebben ge-
vestigd en hen in een en ander overtreffen.
Borneoten kan men noemen die stammen, Avel-
ke uiterlijk eenige overeenkomst met de Maleijers, en
het eiland Borneo tot Vaderland hebben. Velen noe-
men wel de Dajaks of Dajakkers als de hoofdbevolking
van Borneo; echter schijnt het, dat er tusschen Dajak-
kers , Beädjous enz. een wezenlijk onderscheid bestaat.
Zij komen evenwel alle daarin overeen, dat de Dajakkers,
evenzeer als de Beädjous en andere Borneoten , van alle be-
schaving vreemd zijn , dat zij bijna geen denkbeeld van land-
bouw hebben, en genoegzaam over de geheele uitge-
strekt-