Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18-
eene bank, die echter aan de sclieepvaart geen' hinder
doet. De baai, waar men, achter het eiland M00-
%'arrce, veilig ligt, is daarenboven door het grootere
eiland Labowang en de eilandjes Roesoekan gedekt.
Ondertnsschen maakt de roof- en plunderzucht van
den Sultan en van zijne Grooten het bezoeken der ri-
vier van Borneo zeer gevaarlijk voor vreemde vaartui-
gen , daar de schepelingen niet enkel te duchten heb-
ben , dat zij hunne goederen, maar ook hun leven of
althans de vrijheid verliezen. — De voortbrengselen wor-
den veelal naar Riomv en Sinkapore gebragt door de
Borneoten, die te huis behooren in de stranddorpen,
alwaar zij hunne weinige bezittingen voor de schraap-
zucht van den Sultan weten te verbergen. Ieder dier
schepelingen heeft doorgaans eenig aandeel in de lading.
Dewijl een geregeld bestuur ontbreekt, zoo tracht ook
de eenigzins verwijderd of binnen 's lands wonende be-
volking zich aan alle gehoorzaamheid te onttrekken,
te meer omdat het gezag van den Sultan zich enkel
door knevelarij, of wel slavernij, ook van zijne eigene
onderdanen, doet kennen. De woningen zijn hoogst
armoedig en morsig. Ten aanzien van het voedsel
zijn de Dajakkers zoo onkiesch, dat, hoezeer er velerlei
wild, en ook de buffel en het rund gevonden wordt,
zij evenwel veeltijds apen, ratten en dergelijk gedierte
tot spijze gebruiken. De mannen dekken ter naau-
wer nood hunne naaktheid; zij maken gebruik van
het zwaard als wapen, doch bij voorkeur van de
soempit, of spatpijl. Op eenigen afstand van de hoofd-
plaats is binnen 's lands het koppesnellen vrij alge-
meen.
Het SOLOSCHE gebied of de NOORDOOSTKUST.
Dit Gebied is de noordoostkust van het eiland, die
zich van Kaap Sampanmangio tot aan de baai Sint-
Lucia uitstrekt; het grenst ten westen aan het Rijk
Borneo, en wordt ten noordwesten door de baai Malloe-
doe, ten noorden door de baai Laboek en ten oos-
ten door de Dwaalbaai en de baai Sint - Lucia be-
spoeld.
Luchtgesteldheid. Vrij gezond en zeer groeizaam.
Bergen. De Kingbatangan en Oesang, op de land-
tong Oesang cn de Solo-Zcc.
Ri-