Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18.5
ten afstand uit zee zigtbaar. De oosthoeii wordt ge-
vormd door hooge bergen. De ÏHck van Aart.-Gij-
senshoek kan mede ver uit zee gezien worden. Be-
halve het Ratoe-Gebergte, dat in het zuidoosten hoog
boven de naburige gebergten uitsteekt, vindt men om-
streeks de zuidkust den Sanoembang en Kahoemong,
welke ongeveer 4000 voeten boven den zeespiegel ver-
heven zijn.
§ 16. Regeringsvorm. De Arabische en Maleische
Vorsten, alhoewel zij willekeurig regeren en den land-
zaat door belasting of gedwongen' ruilhandel zwaar
drukken, verliezen echter de menschelijkheid niet uit
het oog ; doch de inlandsche Vorsten, met uitzondering
van enkele, die een aartsvaderlijk bestuur oefenen , han-
delen uiterst willekeurig, en ontnemen hunnen onder-
danen , onder de nietigste voorwendsels, derzelver ei-
gendom. De meeste Vorsten hebben slechts geringe
inkomsten, waarop zij rekenen kunnen; eenige huisge-
zinnen moeten voor hen arbeiden; zoodanig zijn ook
de inkomsten der Grooten en Aanzienlijken. In het
algemeen beschouwen de Vorsten en Grooten den ge-
meenen man als verpligt voor hen te werken, of in
de mijnen te arbeiden. Meestal echter is der Vorsten
magt zoo gering, dat de Grooten eigenmagtig het
volk drukken en straffeloos allerlei geweldenarij bedrij-
ven. — Het Nederlandsche Gouvernement tracht intus-
schen deze Vorsten en Grooten in bedwang te houden;
in de Rijken aan de stranden zijn hun jaargelden en
andere voordeelen toegelegd; doch daarentegen staan zij,
wat de regtsbedeeling aangaat, onder het toezigt der
Nederlandsche Ambtenaren, en geen doodslag mag, zoo
als voorheen, worden afgekocht.
In de binnenlanden hebben de Chinesche mijnwerkers
Opperhoofden, die regtstreeks ondergeschikt zijn aan
den Nederlandschen Ambtenaar. In de inlandsche dor-
pen voert ook vaak weder één Opperhoofd het bewind;
soms is het gezag in handen van eenige Oudsten, of
de inlanders leven zonder eenig gezag of oppermagt
te erkennen.
Waar de bevolking niet meer op den laagsten trap van
beschaving staat, en de weldaden van eene regtvaardige
regering heeft kunnen ondervinden, is zij aan het Neder-
landsch Bestuur gehecht door het besef, dat zij bescher-
ming erlangt tegen de onregtvaardigheid van Vorsten of
Grooten. M 5 § 17.